Veldt, Klaas (Jaarboek 23 2000 pg 32-37)

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 23, pagina 32

Wie was … Klaas Veldt

Hij was een man van weinig woorden; misschien zelfs een beetje stug. Een agrarische Castricummer van de oude stempel. Vanuit zijn boerderij aan de Brakersweg zag Klaas Veldt uit op het zich in een snel tempo uitbreidende Castricum. Een gemeente die onder zijn ogen uitgroeide van een klein tuindersdorp tot een welvarende forensenplaats. In de loop van de jaren werden talloze weilanden bouwgronden. Als boer ging hem dat aan zijn hart, maar toch zag hij in dat deze ontwikkeling niet viel tegen te houden. Ruim twintig jaar kwam hij dan ook voor de gemeentelijke belangen op. Een gedegen opleiding had hij niet, wel een gezond stel hersens en een grote dosis menselijkheid. Een Castricumse boer werd wethouder. En wat belangrijker was: hij groeide uit tot een krachtige persoonlijkheid, waarover men in Castricum met eerbied spreekt.
Met deze korte schets werd een interview ingeleid dat Veldt werd afgenomen ter gelegenheid van zijn afscheid als wethouder in 1966. Klaas (Nicolaas) Veldt werd op 28 juni 1901 in Bakkum geboren. Hij is 84 jaar oud geworden.

Vader Piet Veldt (1950).
Vader Piet Veldt (1950).

Vader Pieter Veldt trouwde in 1900 met Grietje Zonneveld. Zij huurden een huisje van jachtopziener Dirk de Winter aan de Van Oldenbarneveldweg, dat stond op de plaats waar nu (in 2000) een showroom van garage De Winter is gevestigd. De huur bedroeg 1 gulden en 25 cent in de week. Pieter Veldt werkte bij Piet Dekker van de boerderij Kleibroek en verdiende daar 1 gulden per dag. Daarvoor werkte hij in de zomer van vier uur in de ochtend tot acht uur in de avond.

De gebroeders Veldt poseren in het duin bij hun land, de Lebstukken, dat tegenover het kampeerterrein lag (ongeveer 1920). V.l.n.r.: Jaap, Jan, Klaas, Gerrit, Cor en Piet.
De gebroeders Veldt poseren in het duin bij hun land, de Lebstukken, dat tegenover het kampeerterrein lag (ongeveer 1920). V.l.n.r.: Jaap, Jan, Klaas, Gerrit, Cor en Piet.

Pieter en Grietje kregen 12 kinderen: 5 meisjes en 7 jongens. Klaas was de oudste en werd genoemd naar zijn grootvader. Hij stamt uit een oud geslacht van agrariërs in Heemskerk en Castricum. De familie Veldt is in het vijfde jaarboekje uitgebreid beschreven. Vader Pieter Veldt verhuisde in 1903 naar een woonhuis, thans Brakersweg 22, dat hij had gekocht van Gerrit van Weenen, venter van boter, kaas en eieren. Pieter Veldt begon in dat huis zijn eigen tuindersbedrijfje. In 1913 verbouwde hij het huis tot stolpboerderij. Klaas Veldt heeft daar, met een onderbreking van enkele jaren, vanaf zijn jeugd tot zijn overlijden gewoond. Hij ging in 1907 naar de 2e Openbare lagere school aan de Van Oldenbarneveldweg, het gebouw dat in 1932 aan het Christelijk schoolbestuur zou worden overgedragen. Pas in 1919 zou het katholiek onderwijs zijn intrede doen; iedereen volgde voor die tijd openbaar onderwijs.

In een opgenomen gesprek in 1978 heeft de toen 76 jarige Klaas Veldt oude herinneringen opgehaald. We laten hem graag aan het woord:
“Castricum telde rond 1900 ongeveer 1800 inwoners en dat waren voor een heel groot gedeelte agrariërs. Er waren ongeveer 30 schelpenvissers en verschillende veehouders waren in de wintermaanden ook schelpenvisser. Een groot deel van de bevolking had land in het duin. De grond was allemaal eigendom van de provincie. De provincie had de duinen in 1903 gekocht van prinses Von Wied, een kleindochter van Koning Willem I. In 1904 is daar 82 ha van overgedaan voor de bouw van het ziekenhuis Duin en Bosch. Die 82 ha was wel het mooiste plekje van het duin; daar had je ontzettend mooie bossen en het bouwland was in die omgeving het beste.
De pachtprijs was heel laag. Aardappelen, bonen, erwten, van alles werd daar verbouwd. Er werd ontzettend veel uit de duinen gehaald; hoe meer je er bracht, hoe meer je er vandaan haalde.


Jaarboek 23, pagina 33

In 1924 kwam daar een einde aan. Toen werd het pompstation gebouwd en de wateronttrekking begon waardoor de grond onbruikbaar werd. Het is wel nooit erkend door de deskundigen, maar degenen die altijd in het duin gewerkt en gewoond hebben, weten wel beter. Er waren hele stukken land die in de winter onder water stonden en waar je met vorst op kon schaatsen. Naderhand hebben we er nooit meer water op gezien.
Vogelwater was ook een groot stuk bouwland dat erg laag lag, zo laag dat je er ‘s winters nauwelijks kon lopen omdat het onder water stond. Het dankte zijn naam aan het water en aan de vele vogels die er broedden. Toen Vogelwater droog raakte, ging ook een hele broedkolonie verloren. Alle vogels die in de zomer in dat Vogelwater waren uitgebroed, gingen naar de Limmer en Castricummer polder en werden daar verder groot gebracht. Doordat dat niet meer bestaat, is de vogelstand hier in de omgeving ontzettend afgenomen. We hadden in de duinen heel veel wild, konijnen, fazanten en patrijzen. De jacht was verhuurd aan baron Van Zuilen en aan de heer Wassenaar. Er waren twee jachtopzieners, Dirk de Winter en Bertus Jacobs. In de tijd dat ik 20 jaar was, trok ik me van de jachtopzieners niet veel aan. Ik kon nogal goed uit de weg komen. De jachtopzieners waren reuze goede en eerlijke mensen, maar ze waren boven de vijftig en konden je toch niet te pakken krijgen als ze je niet herkenden.
In 1907 ging ik naar de lagere school aan de Van Oldenbarneveldweg. Ik keek erg op tegen de grote jongens van de 6e klas. Voor het catechismus-onderwijs moest je naar de school in Castricum. Ik weet nog dat aan de ene kant van het schoolplein de Bakkummerjongens stonden en aan de andere kant de jongens uit het dorp en niemand had het lef om de andere groep op te zoeken. Zo was in die dagen de bevolking gescheiden. Dat was niet alleen met de kinderen zo, dat gold voor iedereen. De scheiding kwam goed tot uiting wanneer er kermis was. Dan vonden er menigmaal vechtpartijen plaats. Katholieken en niet-katholieken leefden ook erg gescheiden. Als katholiek kocht je niet bij een niet-katholiek en omgekeerd was dat ook het geval.”

De drie Gratiën worden de drie onafscheidelijke stolpboerderijen op Brakersweg nr 20, 22 en 24 ook wel genoemd. De westelijke stolp dateert uit 1858 na Schotvanger, Van Weenen en de familie Hogensteijn kocht Klaas Veldt deze stolp in 1954. De middelste stolp is door Pieter Veldt in 1913 tot stolpboerderij verbouwd en Klaas woonde er vanaf 1929 tot zijn overlijden. De oostelijke stolp werd gebouwd door Jan Louter in 1868 en werd van deze familie in 1946 door Veldt overgenomen. Nu woont daar zoon Herman en zijn gezin.
De drie Gratiën worden de drie onafscheidelijke stolpboerderijen op Brakersweg nr 20, 22 en 24 ook wel genoemd. De westelijke stolp dateert uit 1858 na Schotvanger, Van Weenen en de familie Hogensteijn kocht Klaas Veldt deze stolp in 1954. De middelste stolp is door Pieter Veldt in 1913 tot stolpboerderij verbouwd en Klaas woonde er vanaf 1929 tot zijn overlijden. De oostelijke stolp werd gebouwd door Jan Louter in 1868 en werd van deze familie in 1946 door Veldt overgenomen. Nu woont daar zoon Herman en zijn gezin.

Na de lagere school kwam Klaas hij zijn vader op de tuinderij. Klaas was gek op sport zoals voetballen. Hij hoorde tot de mede-oprichters van de voetbalvereniging Vitesse ’22. Hij was de eerste secretaris-penningmeester en speelde ook in één van de elftallen. Om gezondheidsredenen moest hij met die sport stoppen. Op 13-14 jarige leeftijd had hij al een aanval van reuma te verduren gehad, zo erg dat hij zich niet bewegen kon. In 1923 herhaalde zich dat. Op een open auto van Dorus Schermer keerde het voetbalelftal terug van een wedstrijd in Haarlem; mede als gevolg van de kou die hij toen heeft opgelopen, sloeg de reuma weer toe. Dokter Schoonhoff adviseerde dat hij maar een kantoorbaan moest zoeken. Klaas kon heel goed leren en ging een boekhoudcursus volgen bij meester Kant in de Dorpsstraat. Hij kwam al snel terecht op een kantoor in Alkmaar waar hij het een half jaar heeft vol gehouden. Zijn zuster Marie Veldt ziet hem op een zekere dag nog thuiskomen. Zij vertelt dat Klaas zijn tas in een hoek gooide en heel beslist zei: “Ik ga niet meer heen, ik wil boer worden.” Vanaf die dag bleef hij definitief thuis bij zijn vader op het bedrijf.

'Buurten' achter het Commissarishuis aan de Zeeweg (ongeveer 1925). V.l.n.r.: Cor Veldt, Annie Zonneveld, Piet Veldt, Gerrit Veldt, Willem de Groot, Klaas Veldt, Gerrit Zonneveld, Piet Beentjes en Jaap Veldt.
‘Buurten’ achter het Commissarishuis aan de Zeeweg (ongeveer 1925). V.l.n.r.: Cor Veldt, Annie Zonneveld, Piet Veldt, Gerrit Veldt, Willem de Groot, Klaas Veldt, Gerrit Zonneveld, Piet Beentjes en Jaap Veldt.

Aan zijn jonge jaren kon Klaas met genoegen terugdenken. De kermis in Bakkum en de gezelligheid in café Tuin was een jaarlijks hoogtepunt. Veldt wist zich de Bakkummer kermis van 1924 nog goed te herinneren. Hij vertelde: “Mijn vader was een tegenstander van de Bakkummer kermis. Of hij er slechte ervaringen mee had weet ik niet. Ik mocht een hoop van hem, maar de kermis, daar was hij niet op voor dat ik er heenging. Hij gaf zijn toestemming dat ik er op een zondag heenging, onder voorwaarde dat ik om 12 uur weer thuis was. We waren op de kermis en ik raakte met een meissie uit.


Jaarboek 23, pagina 34

We gingen voor eeen ’halfzessie’, zoals ze dat noemden, naar Arie Kaandorp. We zaten daar en toen sloeg die klok twaalf uur en ik stond op en zei: later mag het niet worden. Toen deed ik de beddeur open en lag die klok te bed met een deken er overheen. Nadat het ‘halfzessie’ op was, zijn we weer de kermis opgegaan en ik geloof dat het kwart over vieren ‘s ochtends was dat ik thuis kwam.
Ik heb dat meissie weggebracht en ik zette mijn fiets bij haar huis tegen de muur aan. Er zat een carbidlantaarn op, er waren nog geen elektrische lampen. Ik werd erg vriendelijk ontvangen. Haar moeder kwam nog van bed af en die tapte nog twee keer een citroentje in. Ik kom buiten en mijn lamp is verdwenen. Met een geleende lamp ben ik vertrokken. Toen was het kermismaandag en ik vertelde het verhaal aan mijn vader en dat ik een lamp van dat meissie had gekregen en dat ik die terug moest brengen. Ik mocht dan die middag weer te kermis, maar niet meer ‘s avonds. In die dagen was er sleuteltrekken voor de dames en ringsteken voor de heren. Ik gaf me daar ook voor op. Ik ging naar huis toe, vader lag een tukkie te doen en ik haal een paard uit het land en leende een kar, een Tilbury, van Kees Hollenberg. Ik weer naar de kermis en ga mee rije. Er vielen er steeds meer af en ik bleef erin. Op lest was het zover dat ik in de prijzen zat en toen begon het pas ernst te worden. Maar ik moest melken. Het was intussen vier uur, halfvijf geworden. Ik vroeg aan mijn broer Cor of hij voor me wilde melken. Dat was goed. Ik bleef en haalde de eerste prijs. Ik kwam thuis en vertelde het verhaal aan mijn vader. Hij was kwaad maar hij kon toch niet anders dan toestaan dat ik de prijs ging afhalen. De eerste prijs was een carbidlantaarn. Een lantaarn die ik daags te voren verloren had, had ik die dag weer terug. Ik heb alleen nog nooit zo’n dure lamp gehad.”

De boerderij van Piet Veldt zoals die na de oorlog aan de Brakersweg werd herbouwd. Nu staat, midden in het plantsoen, alleen het woonhuis er nog (boven ).
De boerderij van Piet Veldt zoals die na de oorlog aan de Brakersweg werd herbouwd. Nu (in 2000) staat, midden in het plantsoen, alleen het woonhuis er nog.

Klaas op de maaimachine en naast zich Lau, Gert en Dora (1946).
Klaas op de maaimachine en naast zich Lau, Gert en Dora (1946).

Vader Piet was in 1923 van de stolp aan de Brakersweg 22 vertrokken naar de boerderij Brakersweg 77. De boerderij, waar 30 ha land bij hoorde, is in de oorlog afgebroken. Vlak voor de afbraak is de boerderij nog geschilderd door kunstschilder Mol. Op die plaats is na de oorlog een nieuwe boerderij gebouwd. Het woonhuis daarvan staat nu midden in het plantsoen van het Tulpenveld. De woning wordt bewoond door zuster Marie en broer Laurentius Veldt.

Klaas Veldt en zijn vrouw Johanna Neelissen (ongeveer 1960).
Klaas Veldt en zijn vrouw Johanna Neelissen (ongeveer 1960).

De stolp Brakersweg 22 werd verhuurd aan Cor Scheerman tot 1929. Klaas trouwde op 12 juni 1929 met zijn buurmeisje Johanna Jacoba Neelissen en ze gingen in zijn geboortehuis wonen.


Jaarboek 23, pagina 35

Klaas Veldt met zijn zoons Herman en Piet in de zomer van 1954.
Klaas Veldt met zijn zoons Herman en Piet in de zomer van 1954.

Daar begon hij met de opbouw van zijn eigen bedrijf. Hij teelde wat bollen, aardappelen en aardbeien en in de winter had hij een stuk vijf koeien op stal. De koeien werden in de wintermaanden verzorgd en in het voorjaar weer verkocht. In 1938 slaagde hij erin zelf wat land te kopen en vanaf dat jaar kon hij het hele jaar door vee houden. Veldt krijgt vier kinderen Piet, Martha, Herman en Dora.

In 1929 werd Klaas Veldt lid van de KVP (Katholieke Volkspartij). Men vroeg hem voor de oorlog al zich verkiesbaar te stellen als raadslid, maar daar voelde hij niet zoveel voor. De opbouw van zijn bedrijf nam hem helemaal in beslag. Het viel niet mee in de crisisjaren een boerenbedrijf in stand te houden. Een voorname factor was ook dat de Castricumse raad bekend stond als een raad waar veel ruzie gemaakt werd. Veldt: “In de katholieke fractie waren twee stromingen: de ene volgde het college meestal en de andere heeft nooit anders gedaan als te proberen de gasfabriek weg te werken.”

In de oorlogsjaren kreeg Veldt een nieuwe aanval van reuma te verduren en moest tijdelijk een vervanger zoeken. Die vervanger werd Klaas Zonneveld, keeper van Vitesse en later melkslijter. Diens vader was een broer van de grootmoeder van Klaas Veldt. Over de inzet van Klaas Zonneveld wordt bij de familie Veldt altijd nog met waardering gesproken. Met goudinjecties heeft dokter Leenaers Veldt weer op de been gekregen en heeft hij de leiding van het bedrijf weer over kunnen nemen. Daarna heeft hij nooit meer een reuma-aanval gehad.

Wethouder en loco-burgemeester Veldt overhandigt op 16 mei 1958 een nieuwe ambtsketen aan burgemeester Smeets ter gelegenheid van diens 12,5-jarig ambtsjubileum.
Wethouder en loco-burgemeester Veldt overhandigt op 16 mei 1958 een nieuwe ambtsketen aan burgemeester Smeets ter gelegenheid van diens 12,5-jarig ambtsjubileum.

Na de oorlog werd Veldt opnieuw gevraagd deel te nemen aan de plaatselijke politiek, ook al vanwege zijn opstelling in de oorlogsjaren. Velen hebben toen niet tevergeefs een beroep op hem gedaan. Nu stelde hij zich wel beschikbaar en werd in 1946 als aanvoerder van de KVP-lijst in de gemeenteraad gekozen. Dit herhaalde zich nog vier keer, zodat Veldt twintig jaar deel heeft uitgemaakt van de gemeenteraad; daarvan was hij 13 jaar wethouder. Toen hij voor de eerste keer in de raad kwam, wilde hij nog geen wethouder worden omdat hij eerst ervaring wilde opdoen.

De leden van de gemeenteraad in 1963. V.l.n.r. zittend: wethouder G. Meijer, wethouder N.Veldt, burgemeester C.F. Smeets, gemeentesecretaris G. Louter; staand: de raadsleden W. Klinkenbijl, C.J. Baltus, J.W. Zandbergen, P.F. Janzen, J. Kraakman, Mevr. J.C. Verhoef - Defourny, de heer W.M. Hendrikse, mevr. M. Wentink - Beusman, mr. J. Verkerk, J. de Vries, A. Kooiman, D. Kaper en de notulist van de raad de heer H. Koelman.
De leden van de gemeenteraad in 1963. V.l.n.r. zittend: wethouder G. Meijer, wethouder N.Veldt, burgemeester C.F. Smeets, gemeentesecretaris G. Louter; staand: de raadsleden W. Klinkenbijl, C.J. Baltus, J.W. Zandbergen, P.F. Janzen, J. Kraakman, Mevr. J.C. Verhoef – Defourny, de heer W.M. Hendrikse, mevr. M. Wentink – Beusman, mr. J. Verkerk, J. de Vries, A. Kooiman, D. Kaper en de notulist van de raad de heer H. Koelman.


Jaarboek 23, pagina 36

Gerrit Meijer van de Partij van de Arbeid en Piet de Vries voor de Katholieke Volkspartij, die ook voor de oorlog al wethouder was, werden op 3 september 1946 in de nieuwe raad tot wethouder kozen.

De eerste vergadering van de raad sinds 4 juli 1941 stond onder leiding van de pas benoemde burgemeester Smeets. In zijn openingstoespraak benadrukte hij dat persoonlijke en partijbelangen ondergeschikt moesten zijn aan het algemeen belang. Smeets refereerde nog aan het verleden toen de raad van Castricum in de wijde omtrek opzien baarde en zei: “Laten wij tonen dat de offers die gedurende de oorlogs- en bezettingsjaren zijn gebracht voor een vrij en beter Nederland, niet tevergeefs zijn gebracht.” De gemeenteraad stond voor de taak de wederopbouw van de zwaar getroffen gemeente ter hand te nemen. Niet minder dan 265 woningen en 79 bedrijfsruimten waren afgebroken en het grootste deel van de bevolking was geëvacueerd. Er was gebrek aan alles. Op voorstel van de burgemeester werd in de eerste vergadering besloten dat de notulen niet werden toegezonden, maar ter inzage werden gelegd in verband met papierschaarste.

Eén van de eerste betogen, die Veldt in de gemeenteraad houdt, betreft wateroverlast, een zaak die nog steeds actueel is in Castricum. Veldt vraagt aandacht voor de waterbeheersing bij het bouwrijp maken van grond en wijst erop dat de tuinen bij woningen aan de Hoogevoort, Nuhout van der Veenstraat en de Pernéstraat regelmatig onder water staan.

Klaas Veldt en Henk Twisk (bijnaam de Beinzer) kijken terug op hun leven. Ook Twisk was vele jaren lid van de gemeenteraad.
Klaas Veldt en Henk Twisk (bijnaam de Beinzer) kijken terug op hun leven. Ook Twisk was vele jaren lid van de gemeenteraad.

In 1949 worden Meijer en De Vries herkozen als wethouders. De KVP-fractie ziet er vanaf om twee R.K. wethouders aan te stellen gezien de goede samenwerking in het college van burgemeester en wethouders. Bij de wethoudersverkiezing in 1953 is er minder eensgezindheid.
Bij de verkiezingen krijgt de KVP negen zetels, de PvdA drie, Castricums Belang twee en de AR/CHU één zetel. Een deel van de KVP-fractie wenst een agrariër en een ander gedeelte een vertegenwoordiger van de arbeiders als wethouder. Daarom worden voor deze groeperingen respectievelijk Veldt en De Vries als wethouders gekozen en valt Meijer na 7 jaren wethouderschap uit de boot.

Veldt spreekt zijn spijt uit over het feit dat hij de plaats van de heer Meijer inneemt. Ongeveer 7 jaar heeft hij met hem in het bestuur gezeten van de Instelling voor Maatschappelijk Hulpbetoon en nauw met hem samengewerkt. Door een grote groep kiezers en de standsorganisaties is er echter druk op hem uitgeoefend om zich als wethouder beschikbaar te stellen en hij zag geen andere oplossing dan de benoeming te aanvaarden. Veldt refereert bij zijn benoeming aan de spreuk die Biesterbos op zijn huis had gezet: “Hoe is het mogelijk!”

In dezelfde zittingsperiode nog trekt Piet de Vries zich wegens zijn leeftijd en gezondheidsredenen terug en in 1955 wordt Gerrit Meijer wederom als wethouder gekozen. Tot hun beider afscheid in 1966 werken Meijer en Veldt onder leiding van burgemeester Smeets heel plezierig samen. Ongeveer anderhalf jaar is Veldt wethouder van Sociale Zaken en daarna is hij vanaf 1955 wethouder van openbare werken. Daarnaast is hij loco-burgemeester. Veel is er in Castricum tot stand gekomen: nieuwe straten worden aangelegd, verschillende scholen worden gebouwd en een grote rioolwaterzuiverinsinstallatie en andere nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.
Aan de voorbereiding van de plannen Kooiweg en Molendijk werkt Veldt als wethouder van openbare werken intensief mee. De verdere uitgroei van Castricum acht hij onontkoombaar. Het gemeentebestuur voelt zich verplicht bij te dragen aan de oplossing van het Woningtekort.
Ook het provinciaal bestuur vindt dat Castricum hierin een taak heeft en dat rekening moet worden gehouden met een toekomstig inwoneraantal van 30.000. De hoofdwegenstructuur en de uitbreidingsplannen van Castricum worden op dat toekomstbeeld afgestemd.
Niet altijd zijn de wethouders en de burgemeester het onderling eens. Veldt vertelt: “Ik denk terug aan een kwestie over hoogbouw in plan Helmkade. De burgemeester van Alkmaar steunde de realisering van dat experiment nog al omdat het deel uitmaakte van een regionaal plan. Ik was er geen voorstander van en kwam met een minderheidsvoorstel. Mijn voorstel kwam er ruim doorheen. Later hebben we het plan Molendijk gekregen. Als wethouder maakte ik deel uit van de bouwcommissie waar ook stedenbouwkundige Gouwetor in zat. Over de torenflats in Molendijk is er in die commissie veel gepraat. Uiteindelijk heb ik mij bereid verklaard daaraan mee te werken.

Klaas Veldt als lid van de werkgroep Oud-Castricum in actie bij de opgraving van een waterput uit de 2e-3e eeuw (1971).
Klaas Veldt als lid van de werkgroep Oud-Castricum in actie bij de opgraving van een waterput uit de 2e-3e eeuw (1971).


Jaarboek 23, pagina 37

Daar heb ik nog spijt van. Dat had ik niet moeten doen. Als ik toen met een minderheidsvoorstel in de raad was gekomen, dan was ik ervan overtuigd dat de hoogbouw er niet was gekomen.

Door Castricums Belang onder aanvoering van de heer Bollen wordt het gemeentebestuur nog al eens aangevallen o.a. over de grote bouwproductie in Castricum van Biesterbos. Ook over grondtransacties lopen de emoties soms hoog op, maar Veldt weet zijn hoofd steeds hoven water te houden. Behalve in zijn rol als wethouder dient Veldt ook in andere functies de gemeenschap. Zo was hij o.a. 20 jaar secretaris van het r.k. kerkbestuur in Bakkum, voorzitter van de parochieraad, secretaris-penningmeester van de rundvee fokvereniging ‘De Duinstreek’, poldermeester van de Castricummerpolder en voorzitter van het r.k. Bejaardencentrum ‘De Bogaert’ Onder het melken van de koeien kwamen vaak bestuursleden van organisaties even hij hem langs om van gedachten te wisselen, vergaderingen voor te bereiden, enz.

Als Veldt 65 jaar wordt. besluit hij zich terug te trekken a1s wethouder. Na zoveel jaren vindt hij dat zijn vrouw er recht op heeft dat hij vooral ‘s avonds meer thuis is. Veldt neemt afscheid van de raad in augustus 1966. Vele lovende woorden worden tot hem gesproken. In een reactie wijst hij op de grote veranderingen in Castricum sinds hij twintig jaar geleden lid van de raad werd. Castricum werd van een agrarische gemeente van 6000 inwoners een forensenplaats met bijna 16000 inwoners. Het afscheid is hem niet gemakkelijk gevallen. maar hij heeft zijn besluit gebaseerd op nuchtere overwegingen, die typerend zijn voor zijn persoon. Als 65-jarige heeft hij het gevoel dat hij uit de circulatie moet worden genomen, zoals iedere pensioengerechtigde plaats moet maken voor jongere krachten. Hij is ook van mening dat de gewijzigde structuur van de gemeente Castricum en de daaruit voortvloeiende problemen een grotere ontwikkeling van een wethouder vragen. “Een ontwikkeling waarover ik niet beschik”, aldus de heer Veldt. Bij die woorden werd het volgens de krant heel stil in de raadzaal.

Zijn gemengde veehoudersbedrijf en bollenbedrijf dat dan meer dan 20 ha groot is, draagt hij over aan zijn zoon Herman die de stolpboerderij ten oosten van zijn ouderlijk huis gaat bewonen. Ook de boerderij aan de westkant was door Veldt gekocht en deze boerderij wordt eerst bewoond door zijn oudste zoon Piet en later door zijn dochter en schoonzoon. De ‘3 Gratiën’ worden de drie schijnbaar onafscheidelijke stolpen in de volksmond genoemd. De bedrijfsgronden liggen intussen op zeven plaatsen in de gemeente en zelfs in de gemeente Limmen. De oudste zoon Piet ziet onvoldoende toekomstmogelijkheden en emigreert in 1968 met zijn gezin naar Brazilië. Daar heeft hij een groot agrarisch bedrijf gesticht. Zijn vader en moeder hebben hem verschillende keren bezocht.

In 1967 heeft Veldt zich laten overhalen om nog een nieuwe functie op zich te nemen. Tot vreugde van de initiatiefnemers wordt hij de eerste voorzitter van de werkgroep Oud-Castricum en ook die functie vervult hij met enthousiasme. Onder zijn voorzitterschap wordt in 1973 de werkruimte ‘De Duijnkant‘ door burgemeester Van Boxtel geopend. Ook aan opgravingen heeft Veldt nog meegewerkt. In 1974 treedt hij als voorzitter af, maar hij blijft wel lid van de werkgroep.

Tot op hoge leeftijd blijft Veldt zijn zoon Herman in het bedrijf assisteren. Het melken van koeien die niet goed tegen de melkmachine kunnen, neemt hij tot tegen zijn 80e jaar voor zijn rekening. Op zijn 70e jaar heeft Veldt zich teruggetrokken als lid van het kerkbestuur en voorzitter van de parochieraad. Tijdens een afscheidsreceptie in jeugdherberg De Mantelmeeuw ontvangt hij de hoge pauselijke onderscheiding: Ridder in de orde van Sint-Sylvester. In 1971 ontvangt de oud-wethouder ook een koninklijke onderscheiding. De Hervormde predikant dominee Papineau Salm feliciteert de heer Veldt en schrijft hem o.a.: “Ik heb er altijd respect voor gehad hoe U geheel zichzelf bleef. U schaamde zich er nooit voor boer te zijn, maar ondertussen wist u te spreken en op te treden op een manier waar menig stadsmens met veel verbeelding een voorbeeld aan kon nemen.”

De laatste officiële daad van Klaas Veldt. Onder het toeziend oog van burgemeester Gmelich Meijling metselt hij op 12 maart 1982 de eerste steen van het nieuwe raadhuis.
De laatste officiële daad van Klaas Veldt. Onder het toeziend oog van burgemeester Gmelich Meijling metselt hij op 12 maart 1982 de eerste steen van het nieuwe raadhuis.

Door uitbreiding van de gemeente en het aantal ambtenaren wordt een nieuwe gemeentehuis noodzakelijk. Burgemeester Gmelich Meijling vraagt Veldt als oud-bestuurder en als vertegenwoordiger van de Castricumse bevolking om de eerste steen te leggen. Op 12 maart 1982 kwijt de heer Veldt zich van deze eervolle taak.

Over vroeger dacht Veldt soms met weemoed terug: “De onderlinge verhouding van de mensen was in die dagen heel anders als op het ogenblik. Wanneer ik terugdenk aan mijn jongensjaren en we gingen naar het werk in het duin, dan werd er gezongen en er werden leuke verhalen verteld. Mijn vader had verschillende mensen aan het werk, Daar werd altijd vriendschappelijk mee omgegaan en we hadden allemaal wat voor mekaar over. Niet alleen met het werkvolk, maar ook wat de buurt betrof was er saamhorigheid. Als er iemand ziek was en je kon zelf je werk niet doen, b.v. melken, dan stond je buurman altijd voor je klaar. Wanneer moeder ziek was of bij een geboorte dan was er altijd de buurvrouw die hulp verleende. Dat is nu allemaal veel minder of is er helemaal niet meer. Wanneer je ‘s avonds van je werk uitrustte, had je altijd een gezellig praatje met de buurtgenoten. De mensen kwamen bij elkaar en de één wist dit te vertellen en de ander dat. Er werd een pijpje gerookt en het waren heel gezellige uurtjes. Het lijkt allemaal wat verleden tijd en dat vind ik bijzonder jammer.”

Veldt heeft Castricum zien groeien van een kleine agrarische gemeenschap tot een voorstedelijk forensendorp. Enerzijds moest hij meewerken aan de uitgroei van de gemeente, anderzijds verdedigde hij de belangen van de agrariërs op integere wijze. Ook zijn maatschappelijke functies vervulde hij met inzet van zijn hele persoon. Eenmaal geïnteresseerd was hij ook bereid langdurig zijn krachten aan een zaak te wijden.
Klaas Veldt overleed op 16 april 1985 en hij werd onder grote belangstelling op de gemeentelijke begraafplaats Onderlangs begraven.

Niek Kaan

Print Friendly, PDF & Email