Het Zeeveld te Noord-Bakkum (Jaarboek 07 1984 pg 23-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 7, pagina 23

 

Het Zeeveld te Noord-Bakkum

 

Het vierde Jaarboekje van Oud-Castricum werd op een aantrekkelijke wijze versierd met een goedgekozen overzichtsfoto van de hofstede Zeeveld. 1) Wanneer er één van de Castricumse duinboerderijen voor vermelding en afbeelding in aanmerking kwam, moest zonder twijfel zij dat zijn, al was het alleen al wegens haar merkwaardige geschiedenis.

Zeeveld toen het nog bewoond was.
Afbeelding 1 Zeeveld toen het nog bewoond was.

Zeeveld is namelijk al van vrij vroege herkomst en de aldus geheten woning met omvangrijke bijbehorende gronden bevond zich voorheen op het tamelijk vlakke terrein bewesten de Hereweg en langs de oostelijke lage duin- of nollenrand enerzijds met het Noord-zeestrand aan de westkant anderzijds. De uiterste grenslijnen langs dat vak werden ten noorden en zuiden respectievelijk bepaald door de daar zich uitstrekkende bannen (naderhand de gemeenten) van Egmond (-Binnen) en van Castricum, in totaliteit uitmakende Bakkum’s territoir.
Verschillende oude kaarten noemden dit zozeer uitgestrekte terrein al met name; “het Zee Veldt” staat op een anonym exemplaar betreffende het duin-gebied tussen Wijk aan Zee en Egmond uit de eerste helft der XVIIe eeuw, aanwezig in de Leidse collectie Bodel Nijenhuis (Universitseits-Bibliotheek). Ook komt het voor op een MS.-kaart van de landmeter Gerardus Theodori Langedijck van 1614. Op Dou’s eerste afdrukken der kaart van de Uitwaterende Sluizen (ca. 1680) wordt gelezen “het Zee Veldt” en “t Zee Velt” wordt aangehaald op de bijbehorende kaart van M. Brouerius van Nidek’s “Het Zegepralent Kenmerlant”, terwijl er zo meer voorbeelden kunnen worden opgesomd.

Aardrijkskundige namen

Aardrijkskundige Namen komen in het onderwerpelijke gebied maar in een gering aantal voor Langs en over de zuidgrens strekt zich hier een grotendeels vervallen of verwaarloosd pad uit, dat de Wiskweg werd genoemd en waar dit wegje uitliep naar het zeestrand verrezen eens de palen ener dreigende galg op de plek, welke ongetwijfeld al sedert eeuwen gediend heeft om aan de te Bakkum gewezen criminele vonnissen executie te kunnen verlenen. Bakkum namelijk, als zelfstandig baljuwschap, vormde een hooggerecht, hetgeen de omstandigheid

Ligging van Zeeveld volgens het kadastrale plan uit 1823.
Afbeelding 2 Ligging van Zeeveld volgens het kadastrale plan uit 1823.

meebracht dat men daar terzake van kapitale- of halsmisdrijven gestraft kon worden “met den koorde, met den zwaarde” of nog op andere manieren… Aan deze plaats herinneren dan ook de namen “Het Galg Veld” en “Het Halve Galg Veld”, dat ter plaatse oostelijk tegen de rand der (westelijke) hoge zee-duinen opligt. Naar het oosten tot aan de Hereweg bevinden zich daar, ingevat tussen een viertal groepen binnenduinen of nollen, te beginnen uit het zuiden de “Verlaten Kroft”, ook geheten “Cnor Kroften”, het eigenlijke Zeeveld met de woning en de drie Vogelwaters, het Groot Vogelwater, Klein Vogelwater en het Achter Vogelwater, waarvan het eerste en tweede voor een gedeelte elk en het derde geheel op Egmonds rechtsgebied zich uitstrekt. Dan is er tenslotte het “Baccummer Bos”, dat voorheen in hoofdzaak was beplant met “eist” en zo hier en daar was tenslotte tussen de terreins-verheffingen in nog een mager stuk weiland te vinden. En eindelijk bevatten de aldus afgebakende duinvalleien sedert mensen heugenis een nauwelijks iets betekenend afwateringssysteem in de vorm van een goot, die in vroegere eeuwen een uitmonding bezat op de Hoepbeek en vervolgens op de Bakkummer Schulpvaart. 2)

De 62-jarige notaris te Alkmaar, Adriaan Jacobsz. Capelman van Hodenpijl, die tevoren als schout had gediend te Egmond aan Zee, getuigde op 12 december 1611 voor zijn ambtgenoot ter plaatse H.J. van der Lijn, dat hij, eer de Spaanse oorlog uitgebroken was “meest gewoond” had te Baccum, waar hij nooit enige afwatering gekend had uit het duingebied tussen zee en Hereweg “verder ofte anders dan alleen een cleyn greppeltgen (loopende van de Oosterse croft vant Zeevelt) daar wyle Vredrick Mieusz op plachte te woonen, tot de Roodewech toe ende soe voort tot op de voorsz heere wech, beneffens door Jan Ossemans beeck oostwaerts op”. 3)

Eeuwen geleden dus was de wijze van afwatering uit de “Wildernis van Holland” dus wel zeer beperkt.
Eigenlijk de enige plaats, die in de oude tijden in dit uitgestrekte duinterrein voor bewoning in aanmerking kwam was hier het Zeeveld waarin het woonhuis van de huurder of duinmeier wellicht als enige huis van belang altijd de kern heeft gevormd.


Jaarboek 7, pagina 24

Leengoed van de Grafelijkheid van Holland en West Friesland

Het gehele complex heeft aanvankelijk één enkel leengoed uitgemaakt verknocht aan de Grafelijkheid van Holland en West-Friesland. Vreemd doet het aan, dat niettemin het grondgebied belast was met twee afzonderlijke jaarlijkse uitgangen, die hierna nog ter sprake zullen komen, te weten mogelijk een cijns en ook nog een tiend.

In de XVIIe eeuw waren wegens dit leengoed achtereenvolgens vasallen twee heren Gerard Bicker van Swieten. De eerste van hen was Dr. Gerard Bicker van Swieten, vrijheer van Oud-Haarlem en Kortenbosch, 1632 – 1716, de zwager van Raadpensionaris Johan de Witt. Hij gebruikte dat al tezamen met uitgestrekte terreinen op het annexe Castricumse territoir, die toen bekend stonden als de “duinen van Marquette” en hij, na verzuim op 26 januari 1657, belening verkreeg na dode van zijn vader Cornelis Bicker Heer van Swieten. 4) Wellicht waren het juist deze duinen en landen waarop Vondel’s versregel betrekking hadden, die de dichter voor hem, Amsterdams magnaat bij uit- stek, heeft geschreven:

En bos, en beek, en duin en stranden
Verkwikken somwijl uwen geest,
Na lang en ongedurig slaven:
Dan rijdt gij spelen bij de braven.
Daar in de lust en lucht geneest. 5)

De laatste en tweede Mr Gerard Bicker van Swieten, was vrijheer van Swieten, vrijbaanderheer der baronie en heerlijkheid Kessel, heer van Hei- en Boeicop, raad van Amsterdam en baljuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout, 1687-1753, die het goed geërfd had van Agneta de Graaff Pietersdochter (ex matre Jacoba Bicker), de kinderloze weduwe van Mr. Jan Baptista de Hochepied. 6) Mr. Gerard, die evenmin kinderen had maar met de mede-erfgenamen in proces was, heeft zijn aanzienlijke vermogen op zijn nog jeugdige derde vrouw Sebastiana Arnoldina Kien laten vererven. Het heeft tot in januari 1766 moeten voortduren eer een gevolg gegeven kon worden aan de sententie van de Hoge Raad in Holland, Zeeland en Vriesland van 25 februari in het jaar tevoren, waarbij de inmiddels gesurrogeerde executeur in de boedel van Agneta de Graeff, de procureur Leonard Vrijland, tezamen met Abraham Cortebrant, agent en procureur te ‘s Gravenhage als executeur van Mr. Gerard Bicker van Swieten, gemachtigd waren door dat rechtscollege om over te gaan tot gezamelijke onderhandse dan wel publieke verkoop van alle aanwezige vaste goederen en effecten. Krachtens die bevoegdheid verleende dit tweetal nu aan de schout van Heiloo, Willem Laarman, opdracht om te transporteren voor het Gerecht van Bakkum aan Jacob van Zanen in den Haag, in deze handelende ten behoeve van de minderjarige Jacob Jan Cambier “een duijn met Conijnen wel gepopuleert gelegen in Backum met het duynmaijers huijs en lande belent ten zuijden den Heer van Castricum, ten noorden den Heer van Foreest Heere van de Egmonden, ten westen de Noord Zee en ten oosten de gemeene ingelanden welck voorsz: duijn en huys en landen laatst is verhuurt geweest aan mitsgaders en belopen en gebruyckt door den Duynmayer Cleas Jansz Schuijd, belast in de ordinaris verponding 7) met f. 64:16:7 en met een agte in den aanslag der Duijn beesten tot f. 3:7:71/3 en voor een sesde in de Thijnden met ses stuivers jaarlyx….”

Het transport gold, zoals opgemerkt, een leen aan de Grafelijkheid van Holland, waarvoor de executeur-testamentair Cortebrand laatstelijk verlet had gevraagd en verkregen op 17 mei 1755 waarna men het gewenst geoordeeld heeft gehad om dit bezit uit de leenband te doen ontslaan. Dit laatste plan gelukte en de Staten van Holland en West-Friesland hebben toen bij open brief van 19 december 1765 onder hun grootzegel het Zeeveld geconverteerd in een allodium tegen betaling van het 1/10 van de waarde of f 670,–, hetgeen voldaan werd op 3 januari daarna ten kantore van de raad en rentmeester-generaal van Noord-Holland, met presentatie bovendien van het octrooi aan de Heren Gecommitteerde Raden om vervolgens te zorgen voor een registratie in het “Register van Conversiën” no.2, folio 252 op de 6e daarna. 8)

Jachtgebied

Zien we hieruit o.a., dat het Zeeveld een gebied was dat in het bijzonder geschiktheid bezat tot het opkweken van konijnen, ook uit de pacht-acten valt zulks op te maken. Zo had Mr Gerard Bicker van Swieten jr in zo’n document van 3 april 1736, waar- bij Jan Willemsz. Schuijdt het totale duingebied gepacht had voor ƒ 650.–. ‘s-jaars niet enkel bedongen dat deze om verstuivingen tegen te gaan 7 morgen land met helm had te beplanten, maar ook dat de pachter de verplichting had om te “moeten toesenden ieder reijs vier paar lampreitjes”. 9) Het was alweer onze dichter Joost van den Vondel, die vaak als gast op het Beverwijker”Beekvliet” logeerde, die er duidelijk blijk van gaf allerminst onbekend te zijn met de jacht op deze bijzondere soort van wild. Daarop slaan immers zijn versregels:

Trekje heen na zomerbuitjes
Om lamprei en knijn, in duin? 10)

De op het Zeeveld aangehouden “konijnen-warande” werd door de oostelijk aangelande grondeigenaren heel vroegtijdig reeds allerminst gewaardeerd. Dat vloeide bijvoorbeeld voort uit een acte van 14 juli 1607, verleden voor notaris Van der Lijn te Alkmaar, waarbij een groot aantal hunner aan een van de plaatselijke schepenen met een mede-belanghebbende volmacht ver- strekten om aan de Staten van Holland te verzoeken van hun voorrecht continuïteit te verkrijgen “waer bij de pachte van den duynen neffens Baccum gelegen, verbooden blijve op de lancte van 30 roeden nae ande landen ofte duijn wallen naest de wildernisse gelegen, gheen conijnen te mogen planten, ende de gaten aldaer aireede gemaect, ofte noch te maecken, open te houden, maer dselve te stoppen en gestopt te houden, ende bij gebreecke van dien te lijden dat dselffde bijde naeste ofte naest naeste gelanden, ofte int ghemeen uijt den name van den schout en schepenen aldaer gestopt souden mogen werden, zonder eenich tegenseggen ofte becroon van den pachter ter contrarie, ende in cas van swaricheyt bij den pachter dies aengaende te maecken, offereren en uijt de praeme als vooren deygenaers van deselve duynen, de voorgaende belooffde pachte jaerlicxte betalen, tot soodanighen preyse als bij den laeste pachter daer voor is betaelt.”

Gedenksteen boven de toegangsdeur van de molen "De Eendracht" te Alkmaar ter gelegenheid van de eerste steenlegging door Pieter van der Nolle een der eigenaren van Zeeveld.
Afbeelding 3 Gedenksteen boven de toegangsdeur van de molen “De Eendracht” te Alkmaar ter gelegenheid van de eerste steenlegging door Pieter van der Nolle een der eigenaren van Zeeveld.

Jaarboek 7, pagina 25

Jacob Jan Cambier

De minderjarige J.J. Cambier ten gunste van wie het transport van het Zeeveld op 3 maart 1766 plaats greep voor het gerecht van Bakkum tegen voldoening ener koopprijs van f. 7350,–. was een van de 10 kinderen van Jacob Cambier, schepen, burgemeester en thesaurier van Vianen en Anna Elisabeth Ofzen. 11) Het lijkt in dit geval wel aannemelijk te zijn dat deze aankoop verband hield met de uitkering van een legaat, dat Aletta Swaan geboren Cambier, Vrijvrouwe van Poederoijen, de echtgenote van Mr Jan Christiaan Swaan testamentair had gemaakt. 12)

Zeeveld met bijbehorende terreinen naar de gedrukte kaart van Daniël Veelwaard en zoon, 1825.
Afbeelding 4 Zeeveld met bijbehorende terreinen naar de gedrukte kaart van Daniël Veelwaard en zoon, 1825.

Jacob Jan Cambier, geboren 1756, werd als student in de Rechten te Leiden als ‘Vianensis’ ingeschreven de 16e augustus 1774. Als nog daar studerende verwierf hij permissie tot de jacht van het jachtgerecht van Holland en West-Friesland gedurende het ‘zaysoen’ van 1778 om ‘buiten de klingen te mogen jagen en schieten op klein loopend en vliegend wild’. Het lijkt nauwelijks denkbaar, dat hij deze bezigheid op het Zeeveld zou hebben uitgeoefend, immers reeds op 9 juni 1767 had zijn vader-voogd met de medevoogd Regnees Floriszoon van Zaanen, regerend burgemeester en raad van Haarlem, dit uitgestrekte jachtgebied doorverkocht, nu aan de Alkmaarder Pieter van der Nolle samen met Pieter de Boer aldaar in compagnie. 13) bij acte verleden voor het gerecht van Bakkum voor f 7800,– contant met kosten, 40e penning ad ƒ 195,– en 10e verhoging van f 19:10:0. Een zoet winstje was daarmee dus gemaakt en op korte termijn, hetgeen nauwelijks iets anders dan een geslaagde speculatie kan doen vermoeden!

Pieter van der Nolle

Pieter van der Nolle was gedoopt te Alkmaar 13 maart 1738 en overleed aldaar 3 januari 1794; hij werd ter plaatse begraven in de Grote- of St. Laurenskerk in de Zuidergang of Zuiderzijbeuk no. 149. In 1760 verkreeg hij van het stadsbestuur admissie tot de handel in koffie en thee en hij diende de stad als rotmeester in het 1e rodt van het Blauwe Vendel in de Oude Doelen. Gevestigd was hij in de Appelsteeg, aan de oostzijde waarvan de gevel in onze tijd verknoeid werd. Hij maakte een testament 16 november 1774 voor notaris P. de Lange te Alkmaar. Tweemaal was hij getrouwd, eerst met Elisabeth, de dochter van Pieter Koeman, een grutter en Trijntje Spiegel; overleden 8 juli 1772 waarna zijn tweede vrouw werd Cornelia Lieveloo, gedoopt te Medemblik 12 december 1753, dochter van Jacob Josias “op- ziender der gezegelde en ongezegelde biljetten” aldaar en Annetje Jacobs Tolk. Cornelia Lieveloo, wier moeder tot een familie van zoutzieders te Medemblik behoorde, is na het overlijden van haar man hertrouwd voor het Alkmaarse Comité van Regtsoeffening op 16 augustus 1795 met de apotheker Jan Hendrik Ruijs die haar reeds in 1803 ontviel; hij werd op 5 februari van dat jaar in het graf koor no. 47 bijgezet, hetzelfde kerkgraf waarin Cornelia Lieveloo begraven werd op 20 juli 1825, na de 16e tevoren overleden te zijn in het huis D.439. Door Cornelia Lieveloo werd op 31 januari 1814 een testament gemaakt voor de plaatselijke notaris M.J. de Lange en voor diezelfde notaris passeerde zij op 27 maart 1820 een acte, waarbij zij, woonachtig op de hoek Dijk-Voordam C.618, verklaarde “wegens haar vergevorderde jaren als lichaams gebreken” in hoedanigheid van enig erfgename harer op 18 februari tevoren overleden dochter Johannna Cornelia van der Nolle de door laatst bedoelde gedre-

Portret van Cornelia Lieveloo, weduwe van Pieter van der Nolle Sr, eigenaresse van Zeeveld.
Afbeelding 5 Portret van Cornelia Lieveloo, weduwe van Pieter van der Nolle Sr, eigenaresse van Zeeveld.

Jaarboek 7, pagina 26

ven wijnaffaire niet te zullen overnemen. Het geschilderde portret van Cornelia Lieveloo, waarop zij een kap dragende en zittende in een salon met meubilair in stijl Louis XVI is voorgesteld, bevindt zich thans bij de heer J.A. van der Nolle te Blaricum.

De weduwe en kinderen, die tezamen in de nalatenschap van Pieter van der Nolle gerechtigd waren ten aanzien van het Zee- veld hebben dit goed aanvankelijk onverdeeld gelaten. Deze kinderen waren behalve twee minderjarigen: Jacob, die later naar Zaandam vertrok en de hier eerder al genoemde Johanna Cornelia, die onder voogdij hunner moeder stonden:

  1. 1 Pieter Hendrik van der Nolle, die de negotie van zijn vader heeft voortgezet, waartoe hij venia agendi verkreeg. Bij de stadsschutterij diende hij als schutbroeder onder zijn vader sedert 7 juli 1784 “gestelt op een snaphaan” en zijn naam komt thans nog voor in de gedenksteen boven de toegangsdeur van de molen van de Eendrachtspolder te Alkmaar als herinnering aan de door hem volbrachte eerste steenlegging op 15 mei 1771 op de leeftijd van 6 jaar en 5 dagen. Ook hij bewoonde het pand Appelsteeg, toen wijk C.356, waar hij tevens fungeerde als directeur-boekhouder in de zoutketen der firma Anna Stuurman & Comp. terwijl hij zelf deelhebber was in de Zoutkeet De Ster te Medemblik. Sedert 1806 diende hij als Commandant der Gewapende Burgermacht waar- bij hij nog einde 1814 de kapitein-commandant was.
  2. Cornelia van der Nolle, gedoopt 5 mei 1767, overleden 19 april 1795, trouwde Alkmaar 30 juli 1786 Hendrik Coster zoon van Jan en Maria Gla, Stadsdrukker, boekhandelaar en uitgever aldaar, gedoopt op 4 november 1764 en overleden 30 mei 1816. 14)

 
De erfgenamen van Pieter van der Nolle, daaronder begrepen zijn weduwe, hebben evenmin als Pieter de Boer het Zeeveld willen aanhouden. Zij transporteerden de bezitting voorzover deze nog niet uitgeboedeld was op 14 februari 1803 voor de baljuw-schout en schepenen van Bakkum met daaronder begrepen o.a. “het Duijn majers huys” en “annexe getimmertens” aan Abraham Barnaart, wonende binnen de Stad Amsterdam.

Abraham Barnaart

De koper was de jongste van de drie kinderen van Jacobus Barnaart “koopman en fabriquer van garens en linten” en Jacoba Barnaart, beiden behorende niet tot de geadelde tak van dit geslacht. De koper had één zuster welke in een aanzienlijke regenten-familie getrouwd was en een enig broertje was jong overleden. Hijzelf werd te Haarlem geboren op 15 augustus 1754; men was van doopsgezinde huize. Het heeft er alle schijn van, dat Abraham het bedrijf van zijn vader aanvankelijk heeft voortgezet of dat hij dit tot liquiditeit gemeend heeft te moeten brengen. Het was destijds een periode waarin de dames uit allerlei categoriën, zoals de portretten van toen ons duidelijk laten zien, de hoofdtooi verlevendigden met linten en strikken waardoor én de pruikenmakers, én de leveranciers van de attributen ongetwijfeld goede zaken maken konden. Daarbij kwam nog, dat deze handel min of meer een familie-bedrijf vormde. 15)

Abraham Barnaart heeft te Amsterdam een bescheiden huis betrokken, dat hij in 1781 voor een deel huurde bij Hendrik van Tange en diens vrouw Catharina de Wilde op de Heerengracht 419, een pand, dat tegenwoordig nagenoeg onveranderd nog bestaat. Ruim tien jaar later maakte hij daar zijn testament voor de notaris Mr.P.C. Nahuys, namelijk op 13 oktober 1792. Hij bedacht daarin de vier kinderen van zijn zuster Elisabeth en haar man David Matthaeus van Gelder de Neufville, voor wie hij een

Foto van Zeeveld genomen vanuit het noordoosten in de zomer van 1975.
Afbeelding 6 Foto van Zeeveld genomen vanuit het noordoosten in de zomer van 1975.

Jaarboek 7, pagina 27

bijzondere zorgzaamheid aan de dag legde. Voorwaarde daarbij zou zijn, dat “dezelve completelijk ten opzichtens van hun gedrag als anderzints na de zin en intentie van hunne ouders of de langstlevenden van hun zullen moeten gedragen”. Zelfs Eggel, de inwonende opvoeder van die kinderen zou levenslang van de testateur een jaargeld krijgen. Begunstigd werden ook met lega- ten de “comptoir bediende” van erflater, Jan Joseph Dammers met diens vrouw Antoinette Elisabethe Rauschnerin ingeval zij na deze man mocht overlijden. Evenmin werd vergeten “zijn testateurs boekhouder” Isaac Rigagneau onder gelijke bepaling aangaande diens huisvrouw Catharina Werningh. Maar wél moesten beide bedienden dan “in de bereddering van zijn testateurs comptoir en affaires tegen het door hun thans genoten worden salaris” assistentie blijven verlenen. Tenslotte werden nog bevoordeeld zijn huisbaas met diens vrouw en de lijfknecht. 16)
Zoals het testament al min of meer liet doorschemeren lijkt het dat Abraham Barnaart bij weinig zelfstandigheid geen sterke persoonlijkheid was. Dat laatste komt in het bijzonder aan het licht bij kennisneming van een verzoekschrift, dat hij gemeend heeft te moeten richten tot de Amsterdamse schepenbank, waarin hij zijn wens tot uiting bracht om onder curatele te worden geplaatst. Hij voerde daarbij aan “dat hij suppliant den ouderdom van vijf en twintig jaren bereikt hebbende, zich door verschillende omstandigheden veelal spruitende uit des suppliants phijsique gesteldheid, buiten staat gevoelt om zijn zaken en belangens naar behoren waar te nemen en te behartigen, neen maar dat het voor hem suppliant van het hoogste belang is, dat daaromtrend de nodige spoedige voorziening geschiede”.

Op 9 Grasmaand 1810 werd gunstig beschikt en tot curatoren werden de voorgeslagen personen. Jan Willink, D.M. van Gelder de Neufville en Jacobus de Neufville alle drie bewoners van de Herengracht, de eerste “bij de Leijdsche Gragt” en beide anderen “over de Nieuwe Spiegelstraat” door schepenen benoemd. 17)

Als goede beheerders hebben de drie curatoren op 20 januari 1813 kans gezien om van de familie van Bruijnswaard, woonachtig op het Zeeveld te Bakkum, welke tevoren in het bezit was geraakt van enige eerder daartoe behoord hebbende gronden, aan te kopen, zodat die bezitting nu weer één geheel zou kunnen uitmaken. Het transport daarvan vond in verband met de gewijzigde, nu Franse wetgeving plaats voor een notaris, te weten Mr. J. Nuhout van der Veen, die de acte op laatstgemelde datum passeerde. 18)

Met dat al is de curandus klaarblijkelijk nog geruime tijd te Amsterdam blijven wonen en op zijn naam met adres aldaar hield de evengenoemde notaris in de jaren 1818, 1826 en 1827 telkenmale in de maand januari een veiling van hakhout op stam. Dat dit niet ieder jaar plaats greep, leidt wellicht tot het bewijs, dat er maar een gering deel van het Zeeveld met geboomte begroeid was.

Niet te Amsterdam maar in het dorp Lisse is Abraham Barnaart tenslotte overleden, namelijk op 23 mei 1829, in een huis zonder naamsaanduiding, gelegen aan het Vierkant, het plaatselijke driehoekige (!) dorpsplein, bekend als Heereweg no. 165, dat nu verdwenen is en dat destijds naar alle waarschijnlijkheid was, wat wij tegenwoordig zouden noemen, een pension voor al- leenstaande heren. 19)

Zeer kort na het overlijden van Abraham Barnaart hebben zijn erfgenamen het Zeeveld van de hand gedaan. De belanghebbenden waren toen, tengevolge van plaats gehad hebbend versterf. Mr. Jacobus de Neufville, rentenier te Amsterdam voor zich en als gemachtigde van zijn meerderjarige zuster Jacoba de Neufville aldaar (haar volmacht werd getekend op de nu nog bekende “hofstede Spaar en Hout” bij Haarlem op 15 augustus 1829), alsmede David Marthe en Abraham alle twee renteniers te Amsterdam, die er samen weldra toe overgingen om tot de verkoop van de vaste goederen uit de nalatenschap van hun oom Barnaart de veilconditiën te Beverwijk voor notaris Jan de la Chambre Karshoff op 15 augustus 1829 op te stellen (acte no. 57). Zoals gebruikelijk had men op een week later de veiling en toewijzing laten publiceren en die volgden dan ook op 22 augustus 1829 des namiddags te 5 ure in het logement De Zon aldaar. Daar werden de drie eerste onder de hamer gebrachte percelen, tezamen Het Zeeveld uitmakende, na stuk voor stuk opgeboden te zijn en provisioneel gekocht door de plaatselijke makelaar Christiaan Stumphius ingevolge de bepaling, gemaakt bij de veilconditiën, gecombineerd in afslag gebracht om vervolgens gemijnd te worden door Jan Twisk Corneliszoon, een makelaar te Amsterdam voor zijn opdrachtgever Z.M. de Koning tegen een som van f. 12.240,–.

Koning Willem 1

Dat het nu juist de persoon van de Koning was geworden, die koper was, zal wel enige verbazing teweeg hebben gebracht. Maar verwonderlijk was het eigenlijk allerminst dat de keuze van Z.M. Koning Willem I gevallen is op het zo omvangrijke en weinig in cultuur gebrachte stuk duingebied onder Noord-Bakkum.

Hoewel er veel over de koning door onze historici bij verloop van tijd geschreven werd, is daarbij vreemd genoeg nauwelijks aandacht besteed aan de vroege periode uit zijn leven toen hij zich als Erfprins en landheer teruggetrokken had op zijn toe- vluchtsoord, het Posensche (in Polen) Riddergoed Raçot of Razoten. Dat had hij in 1798 verworven van de Prins Anton Jablonowski. Het doel was om daar persoonlijk als kolonisator of landhervormer met de krachtdadige hulp van de leermeester zijner kindertijd op Het Loo, professor Hermannus Tollius als “General-Administrator” op te treden. 20) Dit werk is daar in dat verre land met grote ijver en vrij gunstig resultaat, onverdroten heel wat jaren voortgezet.

Stellig heeft Z.M. na ingewonnen berichten, in verband met zijn onder Raçot opgedane kennis tot aankoop van het Zeeveld besloten teneinde ook dat te kunnen onderwerpen aan zijn destijds geleerde en ontwikkelde systemen van moderne grondverbetering. Merkwaardig is overigens nog, dat de aankondiging der veiling een speciaal Koninklijk Besluit tengevolge heeft gehad, letterlijk luidende als volgt:

Wij WILLEM, bij de Gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van OranjeNassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz. Hebben goedgevonden en verstaan den Hr.J.Twisk Cz, Makelaar te Amsterdam bij dezen te magtigen bij gelegenheid der openbare veiling, welke op Saturdag den 22n. aanstaande te Beverwijk door den Makelaar Chr: Stumphius, ten overstaan van den Notaris Jan de la Chambre Karshoff, plaats zal hebben, in Onzen naam en voor Onze rekening aan te koopen de drie hierna omschrevene in die veiling, onder no. 1 – 2 en 3 begreepene perceelen als:
“No 1. een perceel duinen, met daarop staande huis, met stalling, schuur, enz. en annex wei teel en Boschland, genaamd het Zeeveld, staande en gelegen te Baccum in de Gemeente Castricum, te zamen groot ruim vier honderd negentig bunders.
2: een dito perceel Duinen, met daarop staande Huis, Stalling, enz. en annexe wei- en teelland, genaamd het Zeeduin, staande en gelegen mede in de gemeente Castricum, te zamen groot ruim Honderd en tachtig bunders; en
3: een stuk Boschland genaamd Jan Blommenkroft, liggende als voren annex het perceel bedoeld sub 2. groot een bunder, vijf en veertig roeden en negentig ellen.
En zullen afschriften dezes worden gezonden aan onzen Staatraad. Administrateur voor de Registratie, het Kadaster en de Loterijen, als mede aan den Heer J. Twisk Cz. voornoemd, tot informatie en narigt.
Brussel den 18 augustus 1829 Willem.
Van wege den Koning J.G. de Mey van Streefkerk.”


Jaarboek 7, pagina 28

Nawoord

Mocht er belangstelling bestaan voor gegevens over de hierna ingetreden nieuwe periode welke het Zeeveld inging, dan zij voor zoveel nodig allereerst verwezen naar de archivalia, welke be- waard zijn gebleven over het tijdvak 1835-1836 in het Koninklijk Huisarchief. De daar opgelegde bescheiden aangaande “Zijner Majesteit’s duinen onder Castricum en Baccum”behelzen o.a. lijsten van de bouw- en weilanden, aanleg van bossen, het aanwezige vee, gereedschappen en meubilair. Ook betreffen de gegevens verpachtingen der landerijen, woningen, gedane werken en ontginningen. 21)

Interessant is verder nog, dat het oorspronkelijke kadastrale plan, het minuutblad, getiteld “Gemeente Castricum en Baccum Sectie A genaamd Baccum, vierde blad, opgemeten in 1823 door de landmeter der 1e: Klasse F.J.Nautz”, dat de grondslag der boerderij Zeeveld aanduidt als de percelen nummers 286 en 287 bewijst, dat in dit jaar het huis toen al, enkele verbouwingen en vergrotingen daargelaten eenzelfde omtrek had als nu ter plaatse het geval is.

Ongetwijfeld zijn er, wat de latere tijd betreft nog talrijke bijzonderheden te vermelden, bijvoorbeeld uit de periode toen het onderwerpelijke duingebied in handen kwam van Prins Frederik (1843) en na diens dood in 1882 van zijn dochter Wilhelmina Frederica Anna Elisabeth Maria Prinses von Wied.

Na deze leden der Koninklijke familie is de Provincie Noord-Holland in 1903 hier de eigenaresse geworden, die er een bedenkelijk beheer voert door het huis Zeeveld onbewoond te laten en te verwaarlozen, waarna het vervolgens gekraakt is.

Betreurenswaardig is het dat het Zeeveld niet als monument is aangemerkt.

Mr. J. Belonje.

  1. Blz. 10; de zo goed geslaagde foto was van de Heer P.A. van de Kamp.
  2. Zie de gedrukte kaart no.5 door Dl. Veelwaard & Zoon van “De Hoep-Beeksche Afwatering in de Gemeenten Heemskerk, Castricum en Egmond “van december 1823 als bijlage van Mr. D.T.Gevers “Verhandeling over het toegangbaar maken der Duinvalleijen”, z.pl. 1825; alsmede oud-rechterlijk Archief Bakkum deel 2024, fol. 24 acte dd. 19 juli 1708.
  3. Inventaris notarieel archief Alkmaar deel 37. fol. 264 vso.
  4. Voor de vasallen zie Mr.P.C.Bloys van Treslong Prins “gedenkwaardigheden” Zuid-Holland 11 A.Utrecht 1922, blz. 295 en Joh.E.Elias “De Vroedschap van Amsterdam 1578-1795”, Haarlem 1903-1905, 1, blz. 175/6; Il,blz. 295,621;705/6. Voor de uitgestrektheid van het gebied zie de MS. “Kaerte van de voerkandt van de duynen gheleghen in Kermerlandt” door landmeter Johannes van Swieten, Algemeen Rijksarchief, ‘s-Gravenhage.
  5. A.Verwey “Vondel volledige Dichtwerken en oorspronkelijk Proza”, Amsterdam 1937, bldz. 821/2.
  6. Elias “Vroedschap” 11. bldz. 621; 705/6.
  7. De toenmalige grondbelasting.
  8. Oud-recht. archief Castricum inv. 183, acte dd. 27 januari 1766.
  9. Als voren deel 180 acte dd. 13 april 1736.
  10. A.Verwey “Vondel” t.a.p.bldz.956/7;”Beekzang aan Catharine”.- Een lamprei is een jong konijn, vgl.Dr.C.Kruyskamp “Van Dale Groot Woorden boek der Nederlandsche Taal”,!, ‘s-Gravenhage 1976, bldz. 1312.
  11. Oud-recht. archief Bakkum dl. 2042 (met bijlagen), fol. 114 evv.
  12. Requesten mandement (civiel) Hof van Holland 180, Algem. Rijksarchief met fiat ut petitur 10 juli 1759; voor huis en heerlijkheid Poederoijen zie Mr. J.J.S. Baron Sloet en Jhr. Mr.A.H. Marlens van Sevenhoven”Register op de Leenactenboeken van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen. Het Kwartier van Nijmegen”, Arnhem 1924, bldz. 721 met noot 5 evv.
  13. Oud recht.archief Bakkum a.v deel 2042 fol°. 122 evv.
  14. “De Nederlandsche Leeuw ” XVI11,1900 kolom 132.
  15. “Nederland’s Adelsboek” XXXVlll, 1940, bldz. 112 evv.;”De Wapenheraut “XXI, 1917, bldz. 360 en A.C.A.W.Baron van der Feltz “Charles Howard Hodges 1764-1837”. Assen 1982, passim.
  16. Gemeente-archief Amsterdam notarieel archief deel 16742 n°, 221, fol°. 169 evv. Voor het woonhuis op de Heregracht zie Dr.l.H.van Eeghen en MrH.FWijnman “Vier Eeuwen Heeregracht”. Amsterdam 1976, bldz. 305 sub 419.
  17. Als voren rechterlijk archief inventaris 1153, fol°. 277 vso.- Voor Jan Ananias Willink en D.M.de Neufville, zie respec- tievelijk bldz. 76 en 60″Economisch Historisch Jaarboek” XI, 1925; “Nederland’s Patriciaat’ VI, 1915, bldz. 276 en “De Nederlandsche Leeuw” XVIII, 1900, kolom 25 evv.
  18. Notarieel archief Alkmaar inventaris deel 1191, n°. 13. – Jan van Bruijnswaard en zijn vrouw Guurtje van Velsen overleden te Castricum respectievelijk 18 en 22 oktober 1811. Hun kinderen, die boedelscheiding maakten voor notaris Mr. Nuhout van der Veen 13 november 1812 waren: 1. de duinmeyer Jelgert, geboren 27 februari 1770 overleden 22 oktober 1826, weduwnaar van Geertje de Wolf; 2. Klaas geboren 6 september 1779, gehuwd met Maartje Koene; 3. Aaltje, gehuwd met Cornelis Bakker, duinmeier.
  19. Vriendelijk mededeling van de Heer A.M. Hulkenberg te Lisse.
  20. “De Navorscher” LXXXV, 1936, bldz. 241 evv;LXXXVl, 1937 blz. 1. evv; C.A.Siegenbeek van Heukelom-Lamme “Album Scholasticum Academiae Lugduno Batavae MDLXXV – MCMXL”, Leiden 1941, bldz. 155 en het daar aangehaalde en “Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde” VIIe reeks deel 2, 1932, bldz. 219 evv.
  21. Vriendelijke mededeling van de directeur van Hare Ma-esteit’s Huisarchief te ‘s-Gravenhage. ~ Zie ook IrJ.G.J.Jelles “Geschiedenis van Beheer en Gebruik van het Noordhollands Duinreservaat”, Arnhem 1968 met op bldz. 74 een afbeelding van Het Zeeveld.

 

Noot van de redactie

Inmiddels is het pand in verband met de kraking ontruimd en is tot verkoop aan een Meditatiecentrum overgegaan. Wij hopen, dat het prachtige en zo karakteristieke pand in zijn oorspronkelijke staat hersteld en bewaard zal worden.

Print Friendly, PDF & Email