Horen katholieken uit Noord-Bakkum bij de parochie van Limmen of Rinnegom?

Een opvallende tekst over een geschil tussen parochies. In cursief de tekst uit een geschiedenisboek van het Bisdom Haarlem.

Op den 21 Maart 1804, heeft de Aartspriester H. F. ten Hulscher uitspraak gedaan in een geschil, tusschen de gemeente van Rinnegom en Limmen, betreffende het gehucht Noord-Bakkum.

                  Bakkum[1] wordt reeds genoemd in het Utrechtsche kerk-register van 866 “in Bacchem 2 mansi”, insgelijks in de schenkingen van Graaf Dirk II aan de abdij van Egmond: had vroeger een eigen kapel, raadhuis en school.

In 1629 was Cornelis van der Mijlen bezitter van de Ambachts-Heerlijkheid Bakkum. Het dorp aan den voet der duinen gelegen, is gesplitst in twee deelen: Noord- en Zuid-Bakkum. Burgerlijk vereenigd met Castricum, waren die van Zuid-Bakkum kerkelijk opgenomen in de gemeente Castricum; die van Noord-Bakkum van onheugelijke tijden met Limmen vereenigd geweest. Toen C. Spont[2] in 1751 was afgevallen, hadden de Katholieken van Noord- Bakkum hunne toevlugt genomen tot Rinnegom, omdat dit veel digter bij gelegen en veel gemakkelijker te bereiken was dan Castricum.  Op dezen grond meenden die van Rinnegom, hun regt op Noord-Bakkum te kunnen handhaven.

Gelijk wij gezien hebben, heeft een gedeelte van Rinnegom, onder pastoor W. Noeij, zijn paaschpligt te Limmen vervuld. Toen ze nu in 1781 weder een pastoor hadden, hield dit natuurlijk op, maar Noord-Bakkum bleef aan Limmen, Pastoor Noeij boekt afzonderlijk, zooals vroeger, de communicanten uit Limmen en uit Noord-Bakkum, en in het doopboek voegt hij bij: “ex Noord-Bakkum, communitate mea (vert. mijn parochie)”. Door den Aartspriester werd Limmen’s regt erkend, en een gelijkluidend schrijven aan pastoor Geeres en aan Theodorus Vos, pastoor van Rinnegom gezonden, waarbij Noord-Bakkum, in betrekking tot de geestelijke bediening, aan Limmen werd toegewezen.

En verder staat in de bijdrage:

Op 21 October 1817 bepaalde de Aartspriester E. S. van der Hagen, dat de oude Postweg, ook Koningsweg genoemd, de grens zou zijn tusschen Noord- en Zuid-Bakkum.

Bij de Parochiale indeeling op 13 Januarij 1857, hadden de Rinnegommers (of Egmonders) het gehucht Noord-Bakkum weder in hunne grens-lijnen ingesloten. Bij schrijven echter van Zijne Doorl. Hoogwaardigheid F. J. van Vree, Bisschop van Haarlem, werd deze fout hersteld, en het geheele gehucht[3], Noord-Bakkum[4] , aan de Parochie van St. Cornelius te Limmen opnieuw toegewezen.

Bron: Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem, deel 14, 1887

Conclusie

Deze bisschoppelijke bijdrage leert ons dat Bakkum ouder is dan het jaar 866. Er staat dat Bakkum een kapel, raadhuis en school bezat. We leren dat Noord-Bakkum uit 50 katholieken bestond en het gebied viel onder de parochie van Limmen. Opvallend is dat er niet over Egmond-Binnen wordt gesproken. Uitleg: Op de plek waar nu de jeugdherberg in Rinnegom is, staat tot 1967 de Adelbertuskerk die aanvankelijk bezocht werd door inwoners van de drie Egmonden totdat die elk een eigen kerk lieten bouwen. We lezen dat de Noord-Bakkumse parochianen zich in 1751 tot de parochie Rinnegom keerden. We lezen dat in 1781 de katholieken van Noord-Bakkum met klem aan Limmen toegewezen worden. Helemaal opvallend is dat het bisdom later in 1857 bepaalde dat de grens tussen Noord- en Zuid-Bakkum de Postweg of Koningsweg zou zijn. En dat betekent onderzoek. Waar lag die weg? Is het nu de Duinweg-Zanddijk? 

Rino Zonneveld

[1] Ook Baccum, zoo lezen wij nog op het hek van eene boerenplaats, waaraan vroeger een jagthuis verbonden was.

[2] Cornelius Spont was rooms-katholiek priester te Limmen en overleed 8-12-1951.

[3] Het gehucht Noord-Bakkum heeft tegenwoordig een en vijftig inwoners; allen zijn Roomsch Katholiek. De grond is er hoog, schraal en duinachtig.

[4] Noord-Bakkum met 51 parochianen.

Print Friendly, PDF & Email