Wie was…….. dokter Leenaers

Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.
Riek de Jongh en Harry Leenaers trouwen op 9 september 1926 in Amsterdam.

“Collega Leenaers bezat alle gaven om een belangrijke rol te spe­len in het artsenverzet en hij heeft deze gaven met brandend en­thousiasme in dienst van het verzet gesteld. Tegen zijn overredingskracht waren slechts weinigen bestand, marchanderen ken­ de hij niet, elk offer wilde hij ten alle tijde brengen voor een triomf van het Medisch Contact, dat hij er zijn leven voor over zou hebben was bij hem geen holle frase, verlies van huis en praktijk telde hij gering in verhouding tot het grote doel: de ideële en feite­lijke overwinning op het Nazidom”.

Met deze gloedvolle woorden werd dokter Leenaers herdacht tij­dens de eerste in vrijheid gehouden vergadering van het Medisch Contact, dat van 1941 tot 1945 het artsenverzet leidde.

Wie was dokter Leenaers………

Henri Maria Joseph Michel Leenaers werd op 11 december 1901 in Maastricht geboren. Hij was het derde kind van Alphonse Lee­naers, bierbrouwer en Emma Marres. Henri werd al spoedig Harry genoemd. Vier kinderen telde het gezin, dat woonde in de Sta­tionsstraat vlakbij het station. Hij bezocht in Maastricht de lagere school en daarna het gymnasium. Een grote gave van hem was zijn uitstekende geheugen. Hij hoef­ de maar één keer iets te lezen en dan was het in zijn geheugen ge­ grift. In het begin van het laatste jaar op het gymnasium trof hem een ramp. Hij kreeg een hersentumor en dreigde blind te worden. De genezingskansen waren heel gering. De destijds zeer bekende chirurg prof. Winkelman opereerde hem in Utrecht. Het werd op dit gebied de tweede geslaagde operatie in Nederland. Een stukje van zijn schedel moest worden verwijderd en dat is nu nog in be­zit van de familie, omdat Harry er op stond dat hij dat mee zou krijgen. Zijn belangstelling voor de medicijnenstudie was toen al duidelijk aanwezig.

Enkele maanden was hij door zijn ziekte niet op school en de rec­tor van het gymnasium achtte het dan ook niet verantwoord dat hij examen deed. Op eigen risico nam hij er toch aan deel en tot ieders verbazing slaagde hij met uitstekende cijfers.

Student

In het jaar 1919 begon Harry Leenaers zijn artsenstudie aan de universiteit van Amsterdam. Hij werd lid van de Katholieke Stu­denten vereniging Thomas van Aquino en werd gevraagd zich aan te sluiten bij het dispuut Noctua.

Noctua was in 1917 opgericht en telde enkele tientallen leden die allen medicijnen studeerden. Een jaar na zijn inauguratie op 6 november 1920 werd Harry Leenaers voorzitter. Daarna was hij nog een jaar secretaris. Tot de uiterlijke tekenen van het lidmaat­ schap behoorde een soort Schotse baret en een wandelstok. Het dispuut betekende heel veel voor de leden, die vrienden voor het leven werden. Leenaers had niet kunnen denken dat zijn jongste zoon Walter in 1958 tijdens diens artsenstudie van het­ zelfde dispuut lid zou worden. Ook in ander opzicht zou Walter in de voetsporen van zijn vader treden zoals later blijkt.

Bij dat dispuut ontmoette Leenaers zijn latere opvolger A.P.W.A.M. de Jongh, “Dikkie” voor vrienden, wiens vader in het hartje van Amsterdam in de Oude Hoogstraat een apotheek had. Met het zusje van zijn vriend, Hendrica (Riek), ontstond een nog inniger band, hetgeen tot een verloving leidde. Op 9 sep­tember 1926 werd in Amsterdam hun huwelijk gesloten.

Op ’t Sant

Inmiddels was Harry op 17 februari 1926 afgestudeerd. Hij nam per 1 april 1926 in Castricum de praktijk over van dokter Schoonhoff, die ongeveer 20 jaar huisarts in Castricum was ge­weest. De praktijk van dokter Schoonhoff was gevestigd in diens woning; het oude Hermana State, dat stond in de Dorpsstraat op de plaats waar nu de Amrobank staat.

Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja. Het huis werd in 1919 gebouwd in opdracht van de heer J.P. Kraak. In 1929 werd het voor de eerste keer gedeeltelijk aangepast tot café en pension. Nu ken­ nen we het als hotel-rest. Kornman.
Tekening van Sijf Portegies van Huize Maja. Het huis werd in 1919 gebouwd in opdracht van de heer J.P. Kraak.  In 1929 werd het voor de eerste keer gedeeltelijk aangepast tot café en pension. Nu ken­ nen we het als hotel-rest. Kornman.

Dokter Leenaers betrok eerst Huize Maja, het tegenwoordige Hotel-Restaurant Kornman, (Mezza Luna). Hij huurde het van de heer Claasen die in het toenmalige Ned. Indië verbleef. Hij liet er een tijdelijke houten garage naast zetten. Door aannemer Jan Houtenbosch werd een nieuwe praktijkwoning gebouwd aan de Mient die de naam ”Op ’t Sant” kreeg. Iets ten noor­den van deze plaats zou later het naar hem genoemde wijkgebouw verrijzen.

Huize "Op ’t Sant”
Huize “Op ’t Sant”

In korte tijd wist dokter Leenaers het vertrouwen van velen te winnen. Hij voelde de mensen goed aan, was bijzonder kundig en stond bekend om zijn goede diagnoses. Hij kreeg een heel drukke praktijk, die zich uitstrekte tot Egmond-Binnen. Ook had hij de zorg voor gasten op het kampeerterrein en voor de kinderen in de toenmalige vacantiekolonies St. Antonius en De Eenheid.

De gezondheidstoestand van de bevolking liet heel wat te wensen over. Er waren veel grote gezinnen die klein behuisd waren en in de helft van de woningen werd nog in bedsteden geslapen zonder frisse lucht. Besmettelijke ziekten konden zich makkelijk verspreiden.

Er waren veel gezinnen waar T.B.C. heerste en bij die woningen stond dan een soort tuinhuisje dat naar de zon kon worden ge­draaid, waar de patiënt overdag in lag.

Er moest hard worden gewerkt. De dokter had een apotheek aan huis en trok zo nodig ook tanden en kiezen (tarief per stuk ƒ1,–) en oefende dus naast het beroep van huisarts ook dat van apotheker en zo af en toe tandarts uit. Ook bevallingen werden door hem veel gedaan (tarief ƒ 15,-). Voor bevallingen werd door de dokter ook wel verwezen naar de verloskundige. Mevr. Scholten-Kloes herinnert zich dat een van de moeders na de zoveelste be­valling steeds maar informeerde of de dokter het al wist. Toen zij dat aan de dokter vertelde zei hij: ”Dat begrijp ik wel. Ze kreeg bij elke gezinsuitbreiding een grote taart van me. Die krijgt ze nu ook weer hoor!”

De dokter eiste van zijn patiënten dat ze zijn voorschriften precies opvolgden anders kregen ze de wind van voren.

Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.
Dokter Leenaers, 2e van links, bij de strandpost van de EHBO in 1933.

Kort na zijn komst in Castricum nam de dokter het initiatief tot oprichting van de EHBO. Hij gaf zelf les in een zaaltje achter het toenmalige café Van Benthem op de hoek van de Dorpsstraat en de Burg. Mooijstraat. Een van zijn leerlingen herinnert zich dat hij heel goed les gaf, maar dat het zo snel ging dat sommigen het moeilijk bij konden houden.

Leenaers wordt ook genoemd als een van de oprichters van het Witte Kruis in Castricum en hij was een van de voorvechters van een nauwe samenwerking met het Wit Gele Kruis om op die ma­ nier een groter dienstenpakket te kunnen aanbieden. In oktober 1941 werd tussen de twee organisaties voor dat doel een overeen­ komst gesloten.

Het gezin Leenaers telde drie zoons en twee dochters. Op 10 juni 1941 kwam daar nog een tweeling bij, waarvan het jongetje echter overleed. Het was een druk gezin, maar mevrouw Leenaers, een knappe en charmante vrouw op wie de dokter heel trots was, stond er niet alleen voor. Bij één van zijn grootste vrienden de chirurg dokter Kerssemakers van het St. Elisabeth-ziekenhuis te Alkmaar, was een dienstbode in huis uit ’t Zand in Noord-Holland. Aan haar vroeg Leenaers of zij niet nog iemand kende die bij hem in dienst kon komen. Dat bleek het geval te zijn. Op deze manier kwam het kontakt tot stand tussen Regien Baltus eveneens uit ’t Zand en de familie Leenaers. Tussen haar en de familie ontstond een band die nog tot de dag van vandaag voortduurt.

De dokter zette zich volledig in voor zijn patiënten en niet alleen in medisch opzicht. Als hij wist dat mensen armoede leden dan volgde er geen nota. Daarentegen bleef er soms na zijn vertrek een geldbedrag op tafel achter.

Vòòr de oprichting van de ziekenfondsen hadden veel artsen een eigen fonds, de zgn. doktersbus. Tegen betaling van een geringe premie had men een beperkt recht op hulp. Ook dokter Leenaers had een dergelijke regeling. Verschillende personen heeft dokter Leenaers in dienst gehad om het geld voor dit fondsje op te halen. In 1941 betaalde men 62 cent per week. Het was in de crisisjaren dat Leenaers Joop Zentveld aantrok die juist zonder werk was en een groot gezin moest onderhouden. Later zou de heer Zentveld in dienst treden bij het ziekenfonds Alkmaar.

De grote receptie ter gelegenheid van zijn 12 1/2 jarig ambtsjubi­leum in 1938 werd een demonstratie van aanhankelijkheid jegens de dokter. Als kado werd de dokter een nieuwe onderzoektafel aangeboden. Op zijn oudste zoon Gerard maakte de serenade die de fanfare ’s avonds voor hun huis ten gehore bracht diepe in­ druk. Misschien wel vooral omdat die bij het licht van vele fak­kels plaats vond.

Bezetting

Het bombardement op het vliegveld Bergen in de vroege ochtend van de 10e mei 1940 was de eerste kennismaking van onze streek met de oorlog. Al spoedig arriveerden de eerste Duitsers in Castricum. De Ortskommandantur werd gevestigd in de pastorie van de Hervormde kerk. Burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo liet zich kennen als aanhanger van de NSB. Spoe­dig maakte hij promotie en werd benoemd tot burgemeester van ’s Hertogenbosch. Op 29 augustus 1942 werd zijn opvolger NSB burgemeester Masdorp geïnstalleerd door de commissaris der provincie A.J. Backer. In de avonduren werd het groepshuis van de NSB in de Torenstraat geopend. De plaatselijke leider van de partij verklaarde bij die gelegenheid dat de geestelijken en de doktoren in Castricum aanstokers van het verzet zijn.

Burgemeester Masdorp heeft dat zeker ervaren. Op 19 oktober 1942 liep hij dokter Leenaers tegen het lijf in het gemeentehuis en ontspon zich de volgende dialoog:

”Bent u niet dokter Leenaers?”

”Wat zou dat”
”Bent u niet de gemeentearts?”

”Wat zou dat”

“Behoort u uw burgemeester dan niet te groeten?”

”Ik groet alleen burgemeesters die door de Koningin zijn aangesteld”

“Hier zult u meer van horen!”

”Ik ben voor u en uw terreur niet bang”

Later op die dag ontmoette juffrouw Van Nievelt, zuster van collega-arts Van Nievelt, dokter Leenaers en hoorde het verhaal. Zij waarschuwde hem en zei: ”Wees toch wat voorzichtiger, denk aan je vrouw en kinderen”. Dokter Leenaers antwoordde echter: ”Ze zullen zich nooit hoe­ ven te schamen, omdat ik mijn mond heb gehouden”.

De burgemeester liet het er niet bij zitten, nog dezelfde dag ont­ving Leenaers schriftelijk bericht van zijn voorgenomen ontslag. Hem werd verweten dat hij zich niet gedroeg zoals van een gemeente-arts verwacht mocht worden, vanwege zijn:

1. bij herhaling uiting geven aan anti-Duitse en anti nationaal so­cialistische inzichten
2. onbeleefd en onbehoorlijk gedrag tegen de burgemeester
3. verwekken van onrust en onenigheid in de gemeente
Kapelaan Verheul noteerde op 19 oktober 1942 in het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie: “Onverschrokken en onverdroten getuigt onze dokter voor het vaderland. Tot voor­ beeld voor ons nageslacht willen we even wijzen op de grote naastenliefde die door de dokter wordt beoefend. Honderden zakken aardappelen en graan zijn door hem opgekocht voor arme arbeiders”.
De dokter verleende in de oorlogsjaren op grote schaal hulp. Ar­ moede en honger kon hij niet aanzien zonder zijn best te doen iets van die nood te lenigen. De thans 79-jarige kapelaan Verheul herinnert zich de kontakten met dokter Leenaers nog goed. De dokter had een duidelijke visie op de maatschappij zoals die er na de oorlog uit zou moeten zien. Hij was van mening dat er dan voor iedereen een gelijk recht op medische hulp zou moeten ko­ men, onafhankelijk van iemands financiële positie. Goede woningen en sociale voorzieningen waren zaken waarvoor hij wilde strijden.

Hoe fel Leenaers gekant was tegen de Duitsers bleek al op 10 juni 1941 toen zijn jongste dochter werd geboren en zij de namen ont­ ving Madeleine Beatrix Irene. Vaders houding ontging ook de toen 4-jarige Walter niet. In het dorp achter op de fiets bij de huishoudster Regien Baltus kraaide hij tot haar grote schrik: “Rotmoffen hè Regien, rotmoffen”.

Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.
Dankbetuiging van de Engelse regering aan dokter Leenaers voor zijn berichtgeving via een postduif.

Dokter Leenaers heeft vanuit Castricum op bijzondere wijze spionage verricht. Door de Engelsen werden kooitjes met duiven gedropt. Daarin zat naast voer voor de duif een papiertje met vragen over de positie van de vijand, versterkingen etc.

Jan Veldt trof begin 1943 een kooitje met een duif aan hangend in het prikkeldraad, vlakbij de gesloopte boerderij van de familie aan de Brakersweg. Hij bracht het papier met het verzoek om in­ formatie naar dokter Leenaers. Welke gegevens de dokter heeft verstrekt heeft Jan Veldt nooit geweten, maar die heeft het dunne papiertje weer in het kokertje gestopt dat aan de poot van de duif was bevestigd en het diertje weer vrijgelaten. Het enige wat hij er­ van wist was dat het bericht was ondertekend met de schuilnaam “Spijker”.

Na de oorlog werd in de kranten een oproep geplaatst met de vraag wie aan deze vorm van spionage hadden meegewerkt. De zuster van Jan Veldt, Marie, heeft toen haar broer en dokter Lee­naers voorgedragen, met het gevolg dat aan beiden een officiële dankbetuiging van de Engelse regering werd aangeboden.

Medisch Contact

Zoals de meeste artsen was Leenaers aangesloten bij de Neder­landse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Handhaving van de medische ethiek en de waardigheid van de medische stand was een belangrijke doelstelling van de organisatie. Het besef van rechten en plichten heeft tijdens de oorlog onder de art­sen sterk geleefd en schiep de bereidheid zich te verzetten tegen iedere macht, die het de arts zou willen beletten zijn beroep overeenkomstig de beginselen van de organisatie uit te oefenen.

Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.
Dokter Leenaers voor de deur van de abdij van Egmond.

Het hoofdbestuur van de maatschappij accepteerde in mei 1941 de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de NSB, tevens lid van de Nederlandse SS in haar midden.

Een officiële mededeling van het hoofdbestuur in het Neder­ lands Tijdschrift voor geneeskunde van 14 juni 1941 maakte een einde aan alle twijfel die over de bedoelingen van de Duitsers nog kon bestaan. Eisen waren: joden uit de maatschappij, benoemingen onder controle, beperking van het beroepsgeheim, uitvoering van sterilisatie wetten enz.

De Nederlandse artsen protesteerden fel en daarmee begon de geschiedenis van het georganiseerde medisch verzet in Nederland. Akties werden gestart om collectief als lid van de maatschappij te bedanken.

Op 24 augustus 1941 kwamen drie artsen in het stationskoffie-huis te Zutphen bijeen en maakten een schema van de organisatie van het artsenverzet, dat zij meteen doopten met de naam Medisch Contact, afgekort “Het M.C.”.

Uitgetreden leden van afdelingen van de Maatschappij vormden een groep. De groepen van elke provincie vormden samen een district. De districten werden in landelijke conferenties vertegen­woordigd door districtsvertrouwensmannen.

Door middel van groepsvertrouwensmannen, districtsvertrou­wensmannen en koeriers (de z.g. estafettes) stond het leidend Centrum in vast kontakt met ruim zesduizend huisartsen en specialisten. Voor Noordholland waren tot districtsvertrou­wensmannen benoemd dokter Leenaers en dokter Roorda.

In een later stadium toen het landelijk kontakt van zoveel perso­nen te moeilijk en te gevaarlijk werd, formeerde zich een vrijwel permanent college van verzetsleiders onder de naam Centrum. Dit Centrum bestond voor een belangrijk deel uit de deelnemers van de Noordhollandse districtsbijeenkomsten. Naast dokter Leenaers worden met ere genoemd Noordhoek Hegt, Roorda, Wamsteker en de professoren Heringa en Borst. Nadat dokter Roorda gevangen werd genomen leidde dokter Leenaers de bijeenkomsten.
Normaal kwam het Centrum elke zondag bijeen teneinde zich over de situatie te beraden. Vele malen vergaderde men bij dokter Leenaers thuis. Zijn kinderen herinneren zich de vele omes, die in de woning Op ’t Sant werden ontvangen. Om het bezoek te verklaren werd dan maar iets gezegd over een verjaardag die gevierd werd.

Het gastvrije onthaal en de bevlogenheid van dokter Leenaers voor zijn idealen maakten deze bijeenkomsten voor de deelnemers onvergetelijk.

Vanaf het begin werd strijd gevoerd tegen de door de Duitsers ingestelde Artsenkamer, waarvan medici verplicht lid moesten zijn. Verordeningen van de kamer werden genegeerd en opdrachten niet opgevolgd.

In een brief van 5 december 1941 werd aan Rijkscommissaris Seys Inquart een brief gericht waarin de artsenverordening werd afgewezen. De brief eindigde met de zin: “Gebonden als wij ons weten aan den eed, of plechtige belofte, waarmede wij ons ambt hebben aanvaard, gevoelen wij ons verplicht u te verklaren, dat wij trouw zullen blijven aan de hooge normen, waarop sinds mensenheugenis ons beroep heeft gerust en dat wij in de uitoefening van ons beroep nimmer andere overwegingen zullen kunnen laten gelden dan zulke, welke gerechtvaardigd zijn door ons geweten, ons plichtsbesef en onze wetenschap” .

De brief met de handtekeningen van ruim 4000 artsen werd heel moedig, op het kantoor van de Rijkscommissaris overhandigd door de doktoren Leenaers, Heringa en Noordhoek. Men kreeg de Rijkscommissaris niet te spreken maar de heren lieten hun visitekaartjes voor hem achter!

Naambordje van dokter Leenaers
Naambordje van dokter Leenaers

In september 1942 weigerden de artsen zich door middel van een toegezonden formulier bij de Artsenkamer aan te melden. Grote druk werd uitgeoefend om toch tot aanmelding over te gaan. Dokter Leenaers en dokter Van Nievelt werden tegelijkertijd op­ geroepen voor een verhoor in Amsterdam. Dokter Leenaers weigerde zich de rol van verdachte te laten opdringen en las degene die hem wilde verhoren op felle toon de les.

Een hoogtepunt in de door het Centrum gecoördineerde akties was toen in maart 1943 vele duizenden artsen aan de president van de Artsenkamer de NSB’er dr Croïn mededeelden afstand te doen van hun bevoegdheid tot uitoefening van het beroep als arts. Op de naambordjes op de gevel en op de recepten werd de aanduiding ”arts” doorgehaald.

Dr. L. de Jong noemt deze daad van de Nederlandse artsen een imposante publieke protestaktie, die de definitieve mislukking van de Artsenkamer inluidde.

Arrestatie

Inmiddels was dokter Leenaers op 20 februari 1943 definitief ontslagen als gemeente-arts en onmiddellijk moest de familie het huis aan de Mient verlaten. Zijn vrouw en 5 van zijn kinderen vertrokken naar Son in Bra­bant, waar zijn zwager dokter A.P.W.A.M. de Jongh een praktijk uitoefende en waar een bescheiden huisje beschikbaar was. Na eerst nog even de praktijk te hebben uitgeoefend in huize Hermana State vertrok de dokter, met zijn oudste zoon Gerard die aan het lyceum in Alkmaar studeerde, naar Heiloo. Vandaaruit probeerde hij de praktijk voort te zetten.

Het Reichscommissariat werd in verband met de artsenstaking aanbevolen een aantal artsen te arresteren, die ervan werden ver­ dacht deel uit te maken van het Centrum. Hierbij was ook dokter Leenaers. Op 29 maart 1943 werd hij ’s nachts in Heiloo opgepakt en naar de Weteringschans-gevangenis in Amsterdam gebracht.

In het dagboek van de kapelaans van de Pancratiusparochie treffen we op 3 april de aantekening aan: “Leenaers heeft tandenborstel, scheergerei en vitaminen gevraagd”.
Mevrouw Leenaers mocht haar man in de gevangenis één keer per week bezoeken. Hij zat in de cel met 2 Engelse piloten aan wie hij geprobeerd heeft Frans te leren.

Het bewijs van lidmaatschap van het Centrum werd niet gevon­den, maar verdacht bleef hij. Op 22 mei 1943 werd dokter Leenaers naar het concentratiekamp Vught overgebracht.

Vught

Het kamp Vught was omgeven met betonnen palen waartussen een hoge prikkeldraadversperring aangebracht was; achter die prikkeldraadversperring lag een gracht waarvan de taluds ook met prikkeldraad bespannen waren en daarop volgde nog een tweede hoge prikkeldraadversperring. Om de 50 meter was er een wachttoren met daarop een SS’er met een zoeklicht en een mitrailleur. Om het kamp patrouilleerden SS’ers met waakhonden.

In het kamp waren 36 woon- en slaap- en 23 werkbarakken, magazijngebouw, wasserij, crematorium en een gevangeniscel (bun­ker). Elke woon- slaapbarak kon 240 gevangenen herbergen.

Het kamp was in januari 1943 in gebruik genomen. Vooral de eerste maanden zijn vele honderden mensen gestorven door hon­ ger en ontbering.

Vanaf april/mei 1943 werd geen honger meer geleden. Er was een campagne opgezet onder de dekmantel van Het Rode Kruis, waardoor gevangenen elke week een voedselpakket konden ontvangen. Bovendien konden familie en vrienden levensmiddelen en andere zaken naar de gevangenen sturen. Dokter Leenaers heeft veel pakketten gekregen uit Castricum en omgeving.

In Castricum coördineerde bakker Gerard Hemmer deze aktie. De dokter kreeg zowat iedere dag een pakje en deelde veel uit aan minder goed bedeelden. Via de pakketten zijn ook medicamen­ten voor Leenaers het kamp binnengesmokkeld. Mevr. Leenaers stopte b.v. buisjes met morfine in de boter.

Het bestaan van de gevangenen was heel moeilijk door de om­standigheden, angst voor de toekomst, lange werkdagen, appèls enz.

Er waren verschillende werkplaatsen, waaronder het Philips-Kommando, waar reparatiewerk werd verricht en o.a. knijpkat­ ten en radiotoestellen werden geassembleerd. Dat Philips-Kommando was voor de gevangenen van grote positieve betekenis.

Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught (tekening van Reinhart Dozy)
Dokter Leenaers gevangenisarts in het concentratie kamp Vught (tekening van Reinhart Dozy)

In de zomer van 1943 kwam de Krankenbau gereed: een klein echt ziekenhuis dat mede door de medewerking van Philips goed ingericht was. De lagerkommandant stemde er mee in dat er een equipe kwam van Nederlandse gevangenen: huisartsen, specialisten (ongeveer twaalf) en geschoolde verplegers. Van dat team heeft dokter Leenaers ook deel uit gemaakt en hij heeft zich er volledig voor ingezet.

Hij maakte veel vrienden in het kamp, waaronder de Drentse kunstschilder Reinhart Dozy, die hem in zijn zebra-pak heeft getekend. De driehoek op het pak was het kenteken van de politieke gevangenen. De tekening is opgevouwen in een portefeuille uit het kamp gesmokkeld. De omstandigheden waaronder Dozy en Leenaers elkaar leerden kennen en waaronder de tekening is gemaakt, blijken uit een brief die dokter Leenaers na zijn vrijlating schreef aan de vrouw van Dozy vanuit Son.

Geachte Mevrouw Dozy.

Het is mij een groot genoegen U de hartelijke groeten van Uw man te mogen overbrengen. Hij kwam bij mij in het ziekenhuis, omdat hij een beetje dikke beenen had van het klompendragen, hetgeen daar veel voor komt. Na een paar dagen was hij weer be­ter, maar omdat er een tweetal gevallen van vlektyphus waren moesten alle patiënten in het ziekenhuis blijven. Wij hebben daarvan geprofiteerd, want ziek was toen eigenlijk niemand meer en het was meer een vacantie. Uw man heeft toen heel wat portretten getekend, onder anderen het mijne, dat buitengewoon geslaagd is.

Hij ziet er uitstekend uit en zijn humeur is voortreffelijk. Wij hebben het samen erg genoegelijk gehad en zijn wederzijds op de hoogte van elkaars familie en woonplaatsen. Zoo heb ik Uw huis op de foto bewonderd, zooals het daar ligt te midden der Drentsche hei.

Tot mijn spijt mag ik niet in Elp komen, anders was ik U zeker persoonlijk komen opzoeken. Zijn pakketten komen regelmatig aan en die waren dan ook zeer welkom, want het gewone eten is daar niet overdreven schitterend. Naar ik van harte hoop zal hij ook spoedig vrijkomen. Sinds bijna 2 maanden behoeft hij niet meer de appèls bij te wonen, die eigenlijk het ergste deel van Vught vormen. Hij is nu in het z.g. schonungsblok en gaat bij Philips werken, dat is in een barak en heeft dus in het najaar vele voordeelen.. U kunt dus volkomen gerust over hem zijn.
Zelf probeer ik weer aan de vrije maatschappij te wennen!

Met de meeste hoogachting.

H.M.J.M. Leenaers

Vrijlating

Dokter Leenaers werd weer vrijgelaten op 19 september 1943. Hierbij hebben akties, die collega’s uit het artsenverzet en met name dokter Hoeneveld voor hem hebben gevoerd, een belangrijke rol gespeeld. Hij vervoegde zich bij zijn gezin in Son. In de tweede week van september was zijn woning aan de Mient gesloopt.

Huishoudster Regien Baltus was met de familie meegekomen naar Brabant. Zij herinnert zich deze periode als een verschrikkelijke tijd, vooral toen in Brabant de gevechten rond de bevrijding van ons land losbarstten en de kogels door het dakraam vlogen.

Dokter Leenaers pakte onmiddellijk zijn werk voor het Centrum van het Medisch Contact weer op. Hij kwam als arts in dienst van Philips in Eindhoven en nam waar voor andere artsen.

In Castricum nam zijn vriend Van Nievelt onder moeilijke omstandigheden vanuit Limmen de praktijk van Leenaers waar. Door enkele oud-patienten werd in Castricum gecollecteerd om nieuwe instrumenten voor Leenaers te kunnen kopen. Deze collecte werd door burgemeester Masdorp ontdekt en verboden. De ingezamelde gelden nam hij in beslag en stortte die in de kas van Winterhulp.

Dat men hem in Castricum niet was vergeten blijkt ook uit een brief die hij op 13 december 1943 stuurde aan mevrouw De Vries, echtgenote van Piet de Vries die voor de evacuatie aan het Dokterspad, tegenwoordig Dr. Leenaersstraat, woonde.

Beste Juffrouw de Vries

Je aardige brief heeft mij erg veel plezier gedaan en nog hartelijk bedankt voor je bonnen, waar ik de kinderen mee verrassen kan. Je zult wel gehoord hebben, dat ik geheel de oude gebleven ben, dus nog flink mopperen als ik een kwaje bui heb!! Het kan in een paar jaar tijd aardig veranderen. Eerst een flink bloeiend dorp en nu zitten we allemaal verspreiden kunnen elkaar bijna niet meer terug vinden.
Hier in het Brabantsche land is het stil en eenzaam. Je ligt 9 km. van de trein en vrijwel geen bussen, die bovendien meestal een à twee uur te laat zijn. Het is niet zoo erg prettig om met dit weer uren buiten te staan wachten. Ik ga zelf nogal eens hier en daar waarnemen voor een dokter, die ziek is, dan blijf je tenminste aan het werk.

In het kamp is het nu in den winter niet zoo prettig. Het zal er wel erg koud zijn en dan met dat slechte eten wordt het er niet beter op. Is Piet gelukkig nog aan het werk in het land? Dat werken in Duitschland valt ook niet mee, want daar gebeurd nog al eens wat.

Ons kleinste kindje groeit erg goed. Het is erg stout, maar praat nog heel weinig. De andere kinderen maken het allemaal goed. Jammer, dat je nog steeds zooveel last van je rug hebt en ook dat vloeien moest eigenlijk ophouden. Die twee staan wel met elkaar in verband. Heb je nog een goed corset? Hulp is overal moeilijk te krijgen.
Als je veel kinderen hebt komen ze heelemaal niet meer.
Nu, beste Marie, hou je goed, doe de groeten aan je man en kin­ deren en alle verdere bekenden, die in je omgeving wonen.

tot ziens

H.M.J.M. Leenaers

Dokter Leenaers is nog enkele keren in Castricum teruggeweest. Kapelaan Van der Zalm noteerde op 15 april 1944 in het eerder ge­ noemde dagboek van de Pancratius-parochie: “Vanmiddag om 12.30 uur is de held van Castricum dokter Leenaers even aan ge­ weest. Hij ziet er goed uit en is nog even strijdvaardig”.

Afscheid

Juni 1944: de invasie is begonnen. Bayeux is veroverd. Dan komt het bericht dat dokter Leenaers ernstig ziek in Tilburg in een zie­ kenhuis is opgenomen. In de trein was hij onwel geworden. Colle­ga’s uit het verzet, de professoren Borst en Biemondt uit Amster­dam hebben hem nog in het ziekenhuis opgezocht om te zien of zij nog iets konden doen, maar zijn toestand was hopeloos.
Op 22 juli overlijdt dokter Leenaers op 42-jarige leeftijd.

Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij
Meer dan 2000 mensen woonden de begrafenis van de geliefde dokter bij

Op 27 juli vindt de begrafenis in Castricum plaats. Een deputatie van de bevolking en verschillende verenigingen willen het stoffe­lijk overschot aan het station afhalen. Op last van de burgemeester worden ze door de politie weggestuurd, uit angst voor demonstratie en verstoring van de openbare orde.

In het illegale blad Strijd stond in een In Memoriam o.a. het vol­gende: ”Zo werd Leenaers op zijn laatste gang door het dorp nog tegengewerkt, omdat men bang was voor zijn invloed! Welke kracht moet van deze man zijn uitgegaan, dat men zelfs zijn stoffelijk overschot vreesde”.

Bij de indrukwekkende uitvaartdienst en op het kerkhof van de St. Pancratiuskerk waren ongeveer 2000 diep geroerde mensen bijeen. De kerktoren was beroofd van zijn klokken, zo­ dat er tijdens zijn laatste gang slechts stilte heerste.

Er was een krans van vrienden uit kamp Vught met de tekst: ”Uit dankbaarheid van hen wier lijden gij in het kamp hielp verlichten”.
Door zijn dispuut Noctua is de grafsteen geschonken. Op 24 november 1946 werd deze steen plechtig onthuld.

Er kwamen akties op gang om een monument voor hem op te richten. Uiteindelijk is er een passend eerbetoon gevonden in de naamgeving van het wijkgebouw van het vroegere Wit-Gele Kruis; het dokter Leenaershuis.
In de hal van het wijkgebouw is een plaquette aangebracht met de beeltenis van dokter Leenaers. Mevr. Leenaers-de Jongh heeft op 14 oktober 1959 deze plaquette onthuld.

Haar broer dokter A.P.W.A.M. de Jongh heeft de praktijk van Leenaers overgenomen. In zijn spreekkamer stonden het bureau, de stoel en de onderzoektafel die eens in gebruik waren bij zijn voorganger.

Gedenkpenning artsenverzet
Gedenkpenning artsenverzet

Van de Kon. Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst heeft dokter Leenaers posthuum de gedenkpenning ont­vangen van het artsenverzet. De penning toont aan de voorzijde een hakenkruis dat door een slang wordt gebroken en het rand­ schrift luidt: “Alleen een vrij man kan een goed geneesheer zijn” .

N.A.Kaan

 

 

Bronnen:

Familie Leenaers, Mevr. H.v.d.Klei, Mevr. J.H. Scholten-Kloes, Mevr. G.M. Schram-Glorie, Mevr. I.D.E. Van Nievelt, Mevr. J. Zentveld-Schermer, De heer J. Houtenbos, De heer J. Stet, Familie Veldt, Kapelaan J. Verheul.

Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de­len 6, 7 en 8 door dr. L. de Jong.

Geschiedenis van het verzet der artsen in Nederland door Ph. de Vries, Haarlem 1949.

Concentratiekampen systeem en praktijk in Nederland Fibula-Van Dishoeck, Bussum 1970.

Dagboek kapelaans Pancratiusparochie 1942 – 1945.

Archiefstukken Medisch Contact; Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Informatie van de Kon.Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst.

Brieven van de heer V.A. Dozy te Elp Streekarchief Alkmaar.

Archief gemeente Castricum Oudheidkamer Vught de heer Scharf.

Bron: 13e Jaarboekje – Stichting Werkgroep Oud-Castricum – 1990.

Geanimeerde nieuwjaarsbijeenkomst in De Duynkant.

Op maandag 5 januari hielden – op uitnodiging van het bestuur – de leden van de Werkgroep Oud-Castricum en hun partners een gezellige nieuwjaarsbijeenkomst in De Duynkant. Een groot aantal leden gaf acte de présence om met een drankje en prima verzorgde hapjes goede wensen uit te wisselen en te toosten op het nieuwe jaar.

Peter van Eerden Voorzitter WOC
Peter van Eerden
Voorzitter WOC

In zijn toespraak memoreerde voorzitter Peter van Eerden eerst het overlijden van Wim Hespe, aan wie de werkgroep veel dank is verschuldigd. Vervolgens heette hij het grote aantal leden welkom dat het afgelopen jaar is toegetreden en wenste hen veel voldoening van hun vrijwilligerswerk.

In een korte terugblik op het afgelopen jaar werden, naast alle gebruikelijke activiteiten, een aantal onderwerpen speciaal door hem genoemd: de maandelijkse, druk bezochte open dagen met tentoonstellingen, de leerzame excursie naar Etersheim, het fraaie 37e jaarboek en tenslotte de zeer geslaagde donateursavond in Geesterhage.

Vervolgens werd meegedeeld dat de plannen voor 2015 binnenkort in een eerste overleg met de taakgroepleiders worden besproken. Hiermee beoogt het bestuur tevens vergroting van de samenhang en verbetering van de onderlinge communicatie en coördinatie.

Speciale aandacht vroeg de voorzitter voor het jubileumjaar 2017, wanneer Oud-Castricum 50 jaar bestaat. Voor de viering daarvan bestaan wel ideeën, maar er moet volgens Van Eerden meer gaan gebeuren: “de tijd is kort”! Reden waarom hij een oproep deed aan de leden om mee te werken en zich daarvoor te melden bij de jubileumcommissie.

Ten slotte werd kort het uitbreidingsplan voor De Duynkant toegelicht en in het bijzonder de financiering genoemd. Een deel van het benodigde bedrag zal hopelijk worden opgehaald bij onze donateurs, de lokale ondernemers en via fondswerving. Voor dat laatste zijn inmiddels invloedrijke personen benaderd met een brochure en een uitnodiging voor een netwerkbijeenkomst op 20 januari aanstaande: “U gaat daar zeker meer over horen”, beloofde de voorzitter.

Tot besluit wenste de voorzitter iedereen een gezond en voorspoedig Nieuwjaar en de leden van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum een heel succesvol 2015.

kader dagboek.AIEen bewijs voor de gemoedelijkheid binnen Oud-Castricum werd na afloop van de bijeenkomst geleverd. Een aantal leden en het vrijwel volledige bestuur deden de afwas en maakten samen De Duynkant weer aan kant voor de reguliere activiteiten.

 

Kerstverhaal – De Kerstnacht van Leendert Priem

Leendert doet z'n vondst
Leendert doet z’n vondst

In 1921 werd een jonge Beverwijker in Castricum aangesteld bij het Gemeentelijk Lichtbedrijf. De 26-jarige Henk van Amersfoort zou zich spoedig in Castricum en Bakkum thuis voelen, temeer daar hij iemand was met veel gevoel voor humor, van de natuur hield en goed kon opschieten met de eenvoudige dorpsmensen. Hij hield van het organiseren van feestelijkheden en samen met Wub van Weenen heeft hij heel wat op touw gezet.
Hij had op het gebied van elektriciteit al enige ervaring en ging hier zijn beste krachten wijden aan de opbouw van het elektrische net. Dat was toen geen gemakkelijke opgave, vooral omdat het net geheel bovengronds was. Vooral bij winterdag als het ijzelde was het werkelijk een ramp, want het aangroeiende ijs deed om de haverklap hier en daar een draad breken. Het kwam zo ver dat de familie van Amersfoort ’s nachts de buitendeur losliet, zodat de Bakkummers hem als het nodig was zo uit bet echtelijke bed konden trommelen.

Rechts Henk van Amerfoort. Foto: WOC
Rechts Henk van Amerfoort. Foto: WOC

Nadat hij dan enige uren zijn ‘ijselijke werk’ was bezig geweest en met zijn klimschaatsen paal in paal uit was geklommen, werd hij meestal hier of daar wel binnen geroepen, om bij de warme kachel en een heet bak koffie te ontdooien. Tijdens zo’n rustpauze kwam hem op Noord-Bakkum het volgende ter ore, dat hij later, ongetwijfeld aangevuld met de van hem bekende fantasie, vele malen heeft doorverteld.
Het was het veel vertelde verhaal van de Egmondzeeër Leendert de Priem, een bekend stroper die bij een boer op Noord-Bakkum diende, maar in zijn vrije tijd ’s avonds en ’s nachts duchtig op los stroopte.
Er was iets geheimzinnigs met deze Leendert, want hij was een ‘thuishaalder’ * en zou van hoge komaf zijn, hetgeen er ondermeer toe bij zou dragen dat hij bij het stropen in de duinen nooit werd gepakt.
Nog meer kwamen de tongen los, toen hij op een goede zondagmorgen met Antje van Peet Trijn van Noord-Bakkum aan zijn arm naar de late kerk in Castricum ging. Menig gordijntje werd opzij geschoven om dát goed te kunnen zien en de geruchten waren niet van de lucht.
De Bakkummers werden in hun vermoeden gesterkt, toen men hoorde dat Leendert een voormalige koeboet in de Bakkummerduinen mocht opkalefateren om erin te wonen. De stroperij had zeker wel wat opgeleverd, want Leendert kocht ook een hit en een schelpenkar.

Ca. 1965. Woonhuis "De Vink". Op het huisje staat in de muurankers 1946. Hier woonde de familie Van Amersfoort. Foto: WOC
Ca. 1965. Woonhuis “De Vink”. Op het huisje staat in de muurankers 1946. Hier woonde de familie Van Amersfoort. Foto: WOC

Dat opkalefateren ging overigens met weinig kosten gepaard, want hij gebruikte uitsluitend gejut strandhout. Op het interieur was men gauw uitgekeken; dit bestond uit zes matten stoelen van een daalder ’t stuk en een tafel met een laatje voor enkele guldens gekocht bij een uitdrager in Alkmaar. De stromatrassen in de bedstee waren geörven van Ootje (grootmoeder) die er al veertig jaren lief en leed op had gedeeld. Dan nog wat vreemd diggelspul, deels gevonden op het strand en deels in de compost, die de tuinders in de stad kochten voor bemesting van hun land.
Boven de beddeurtjes prijkte een kunstig uitgewerkt koper beslag, kennelijk afkomstig van een vergaan schip. Een der balken was gemerkt met de letters X-H-London en de linnenkast was opgetuigd met lofwerk, enige weemoedige zeemeerminnen voorstellende en op de kast stond een wat gehavende Neptunus.
Het was dan zover dat Peet Trijn haar toestemming had gegeven en de 28-jarige Leendert en de 19 lentes tellende Antje trouwden in de Limmer kerk, want de Noord-Bakkummers behoorden onder de Parochie van Limmen. Voor deze gebeurtenis waren vele Bakkummers naar Limmen getogen.
Na hun trouwen legde Leendert een ongekende, met te stuiten ijver aan de dag en bouwde rond zijn huisje een “hokkenburg” van boetjes en afdaken; een voor de geit, een veer de hit, een voor de schelpenkar en ga zo maar door. Omdat zij in alle eenvoud waren opgegroeid en maar weinig schoolse wijsheid hadden opgedaan, waren ze ondanks hun schamel bezit toch gelukkig. Ze hadden zo goe als geen omgang met vreemden en zelfs maar weinig met de familie en Leendert bewaakte zijn schat als een cipier de bewoners van de Krententuin; vooral toen Antje zich steeds niet lekker voelde.

Het was toevallig meeuweneierentijd en Leendert kwam met zakken vol thuis. Hij meende nu, dat als Antje volgestopt werd met geklutste en gebakken eieren, alles wel goed zou komen. Maar dit was niet het geval en ze probeerden daarom maar diverse huismiddeltjes zoals rauw gedopte erwten, waarvan de bloem de meizon nog niet had gezien. Toen ook dit niet mocht baten namen zij hun toevlucht tot kruismuntkruid getrokken op gesmolten maartse sneeuw. En warempel het leek wel of dit middeltje hielp want Antje knapte op. Leendert was zo blij, dat hij voor haar op een boelhuis in de omgeving een schilderij kocht voorstellende “de geboorte in de stal van Betlehem”.
Zelfs toen duidelijk waarneembaar werd dat het gezin Priem een blijde gebeurtenis te wachten stond, kwam het niet in hun gedachten op, laat staan dat ze zich op de komst van de kleine de Priem gingen voor- bereiden. Totdat Peet Trijn op een goeie dag eens langs kwam en het heuglijke feit onomstotelijk vaststelde. Leendert wist met dit hemels geluk geen raad en hij deed met anders dan van Antje naar het nieuwe schilderij kijken. Op zijn nachtelijke strooptochten hoorde hij engelengezang, de konijnen leken schapen en de os stond rustig te herkauwen, al was het in dit geval dan een uitgebroken vaars van een boer uit het Zeeveld. Nog nooit had de ruige kop van Leendert zoveel te verwerken gehad en hij beloofde dit jaar naar de Kerstnacht te zullen gaan.
In de kerstnacht stapte Leendert om drie uur het bed uit, want van Noord-Bakkum naar de buurt was zeker een uur lopen en om in de Nachtmis van 5 uur een goed plaatsje te krijgen moest je wel op tijd zijn. Na Antje nog even met zorg te hebben toegedekt stapte Leendert de donkere nacht in. Het was een gure nacht; wind- en regenvlagen zwiepten in zijn gezicht. Toen hij een uur later doornat de kerk binnenstapte, zocht hij direct een plaatsje in de ‘armenbanken’ achter in de kerk.

Kleine Bertus (Stuifbergen) met nichtje voor de barbierswinkel. Foto: Schippers vanb het Stet
Kleine Bertus (Stuifbergen) met nichtje voor de barbierswinkel. Foto: Schippers van het Stet

De zee van kaarslicht, het orgelspel en de feestelijke zang van het kerkkoor met een solo van kleine Bertus de barbier maakten zo’n indruk op hem, dat hij als het ware elk moment de komst van het Kerstkind verwachtte.
Tenslotte werd het hem te machtig en tijdens ‘de herdertjes lagen bij Nachte’ vluchtte hij naar buiten. De storm was nog heviger geworden en de nacht was inktzwart. Hij boorde zijn kop tegen de noordwester in en via diverse landpaadjes kwam hij uit bij het Wouterland en tenslotte langs de Diepensloot bij de Heereweg.
Op betrekkelijk korte afstand van zijn huisje in de Bakkummerduinen meende hij ondanks het stormgeweld een geluid te horen, dat hij als stroper niet direct kon thuisbrengen. Hij bleef even staan en hoorde toen duidelijk het klaaglijk geschrei van een kind.
Met knikkende knieën bewoog hij zich in de richting van het geluid en terwijl hij at zijn moed bij elkaar moest zoeken, kroop hij om een struik heen en kwam daarbij in botsing met een hard voorwerp, dat een kistje bleek te zijn. Het was afgedekt met een stuk oud vloerkleed, waaronder zo maar vlak voor hem zijn hemelse verwachting, een lief klein kindje, lag.
De spanning was nu geweken en in alle tederheid nam hij het kistje op en als door de wind gedreven rende hij ermee naar zijn huisje. Onderweg nog eens het kistje betastende meende hij ten stelligste dat dit het kistje was dat hij zelf voor het komende kind had getimmerd.
Bij het huisje aangekomen stootte hij de deur open en of het nog niet genoeg was kreeg hij de schrik van zijn leven, toen hij op de vloer van het achterend een vrouw zag liggen toegedekt met een deken. Al gauw had hij door dat het niet zijn Antje was maar een vreemde vrouw.

Gejaagd gooide hij de kamerdeur open en daar stond Peet Trijn met vreugdetranen in haar ogen vertederd te kijken naar Ant in de bedstee. Zijn verstand stond stil, behoedzaam zette hij het kistje op de grond en toen hij zich over z’n Antje boog opende deze vermoeid maar erg gelukkig haar ogen en zei: “Leendert, we hebben een Huibert gekregen”.
Nou en toen was het raadsel van de twee kerstkindjes en de kistjes spoedig opgelost. Op een afstand van ongeveer tweehonderd meter van hun huisje had die avond een woonwagenbewoner aan de Heereweg een standplaats gekozen, omdat hij vanwege het slechte weer niet verder durfde.
Tijdens het hoogtepunt van de storm was de wagen met vrouw en kind omgeslagen. Bij de dichtstbij wonende boer had hij hulp gehaald om vrouw en kind te bevrijden. De vrouw bleek echter zodanig verwond te zijn, dat zij naar de woning van de familie de Priem werd gebracht, waar men haar in afwachting van de komst van de dokter op de vloer had neergelegd. In deze consternatie had men het kistje met kind zo lang even achter een struik gezet waar het door Leendert werd gevonden.

Bron: Q. de Ruijter W. Jzn. – Schippers van het Stet – Castricum MCMLXXIV

* Thuishaalder (pleegzoon of pleegdochter). Die hebben we thuishaald (in ons gezin opgenomen) toen z’n moeder stierf.

 

Wie was . . . Tante Sientje

Het verzet in de 2e Wereldoorlog in Castricum

Deze bijdrage is een hommage aan de Castricumse verzetstrijders in de 2e wereldoorlog van 1940 – 1945, waarvoor wij Tante Sientje uitgekozen hebben als een van hen. Zij vormde als eenvoudige vrouw een van de onmisbare schakels in het net van de verzetsorganisaties.

Tante Sientje

Gesina van der Hurk werd op 1 nov. 1888 te Oudorp geboren als de dochter van Anthonius van der Hurk en Maria Zut. Op 22 maart 1911 vestigde zij zich als dienstbode te Alkmaar bij de heer J.J. Swets, administrateur wonend op het Luttik Oudorp.

Tante Sientje op ca. 75-jarige leeftijd
Tante Sientje op ca. 75-jarige leeftijd.

Op 34 jarige leeftijd vertrok zij naar Castricum en trouwde op 23 april 1923 met Adrianus Veldt, geboren te Castricum op 28 juli 1892 als zoon van Klaas Veldt en Maartje Bakker. Zij woonden in een onopvallende tuinderswoning aan de Kooiweg. Haar man verdiende de kost als los werkman bij tuinders en boeren en reed ook een boodschappendienst met paard en wagen op Alkmaar. Op 10 nov. 1939 kwam haar man Adrianus Veldt reeds te overlijden. Uit hun huwelijk was op 12 okt. 1924 een zoon Nicolaas Cornelis Antonius geboren. Tante Sientje is nooit hertrouwd; zij verdiende onder andere de kost als kraamverzorgster en stond bekend als een hardwerkende vrouw, die altijd klaar stond om iedereen te helpen.

Het begin van het verzet

Direct na de inval door de Duitsers op 10 mei 1940 met de daarop volgende bezetting en maatregelen kwam een klein deel van de Nederlandse bevolking in verzet.
Ook Castricum kende enkele verzetsmensen van het eerste uur, die zich geleidelijk in een georganiseerde ondergrondse verzetsbeweging verenigden.
Contacten tussen de verschillende verzetsgroepen in Noord Holland en ook daarbuiten moesten gelegd en onderhouden- worden.
Door de Duitsers werd dit uiterst moeilijk en gevaarlijk gemaakt.
Zij voerden al snel controles uit op mensen, die onderweg waren, waarbij een systeem van persoonsbewijzen “ausweisen” ingevoerd werd.
Slechts degenen, die beroepsmatig over speciale pasjes beschikten, konden zich zonder argwaan te wekken vrijelijk op reis begeven. Deze mensen waren dan ook voor de onderlinge contacten nodig en ook voor het onderbrengen van de mensen, die zich voor de vijand schuil hielden: de onderduikers.

Castricum en Bakkum “sperrgebiet”

Van de grote gevechtshandelingen is Castricum bespaard gebleven, maar van de bezetting heeft de bevolking wel degelijk te lijden gehad.
De Duitsers verwachtten een gealliëerde invasie op de Hollandse kust.
Grote aantallen bunkers, tankmuren en wegversperringen van zwaar gewapend beton werden gebouwd en ook tankgrachten werden gegraven, waarmee een gigantische verdedigingswal werd opgeworpen.
Kanonnen stonden o.a. opgesteld op het hoge duin bij de Sifriedstraat. Enorme radartorens o.a. de “Grosse Elephant” van 90 mtr hoogte werden langs de kust gebouwd. Castricum was een complete vesting geworden. Soldaten en officieren en ook werklieden voor de bouwwerken moesten ingekwartierd worden. Zeker zo’n 1000 Duitsers en in een later stadium nog eens 1500 man verbleven in onze gemeente. Woningen en grote gebouwen, zoals Duinenbosch en koloniehuizen, werden gevorderd en ontruimd.
Maar ook veel huizen en boerderijen moesten afgebroken worden, aangezien deze in het schootsveld van de kanonnen stonden. In het duingebied en op het strand werden duizenden
landmijnen gelegd. Zo verdween een complete woonwijk tussen de Beverwijkerstraatweg, de Papenberg en de Kramersweg.
Door de sloop en de vordering van woningen kon een groot deel van de Castricumse bevolking natuurlijk niet in ons dorp blijven. In de jaren 1942 en 1943 werden vele duizenden
gedwongen geëvacueerd naar o.a. plaatsen in Groningen, de Zaanstreek en ook in Limmen werden mensen ondergebracht.
De duinkant van ons dorp werd vrijwel geheel ontruimd, alleen zij die er werkten, mochten er blijven wonen; dit gebied mocht bovendien slechts bezocht worden door mensen met speciale
pasjes.

Deportatie mannelijke bevolking

Door de Duitsers werd de mannelijke bevolking tussen de 18 en 35 jaar gevorderd om in Duitsland werk te verrichten. Men moest zich in Amsterdam naar het Centraal Station begeven, waarna het de bedoeling was om in de trein naar Duitsland te stappen.
Aangezien in Amsterdam niet gecontroleerd werd of men wel in de trein stapte, was het mogelijk om vandaar te vluchten.
Enkele Castricummers hadden een vluchtplan bedacht, waarbij sommige mannen op het perron van het CS opgepikt werden om naar een onderduikadres gebracht te worden.
Onze plaatsgenoot Dorus Veldt had met zijn zonen een vrachtvervoersbedrijfje en hadden van de bezetter vergunning om in de oorlogsjaren vrachten te blijven vervoeren.
Zodoende waren zij in staat om door middel van dit vrachtvervoer legaal in Amsterdam te komen.
De vrachtauto werd ergens in de buurt van het station achtergelaten, die volgeladen was met groentekisten, waarbij in het midden van de lading een ruimte was opengelaten.
De Castricumse mannen en voor zo ver er ruimte was ook wel anderen, werden op het perron opgepikt en konden met van te voren aangeschafte perronkaartjes het station een voor een verlaten.
Door het weghalen van enkele kisten op de auto kon men in de lege ruimte kruipen.
Men kon uiteraard niet naar huis terugkeren, zodoende was eerst voor onderduikadressen gezorgd. Deze adressen werden meestal in de kop van Noord Holland: “de Noord” gevonden, waar men redelijk veilig was. Het vluchten lukte niet altijd en kon ook niet altijd, vandaar dat regelmatig Castricumse mannen in Duitsland terechtkwamen. Zo vermeldt een dagboek uit de oorlogsjaren op 11 juli 1943: “Er zijn al 70 Castricumse jongemannen in Duitsland”.
Om de ondergedoken mannen op te sporen werden ook regelmatig razzia’s gehouden, waarbij het dorp werd afgegrendeld en de huizen stuk voor stuk systematisch werden onderzocht.

Rechts Tante Sientje in de deuropening van haar huisje
Rechts Tante Sientje in de deuropening van haar huisje

Het huisje van Tante Sientje

Vaak konden de onderduikers niet gelijk naar “de Noord” overgebracht worden, dan moest voor een tijdelijk onderdak gezorgd worden.
Dat moest een onopvallende wat afgelegen woning zijn. Dat van Tante Sientje voldeed aan deze voorwaarden. In haar eenvoudige arbeidershuisje aan de toen nog landelijke, inmiddels verdwenen Kooiweg was het veilig.
Degenen, die aanklopten, vonden de deur op slot, zodat onderduikers even de tijd kregen om zich te verbergen.
Insiders wisten de sleutel wel in de lage dakgoot te vinden. Verschillende onderduikers hebben een of meerdere nachten in haar huisje doorgebracht, voordat men verstopt in de vrachtauto van Veldt overgebracht kon worden naar het definitieve adres ergens in de kop van Noord Holland.

Voedselzorgen

De ontvangst bij Tante Sientje was altijd hartelijk en de verzorging was goed. Voor de onderduikers was voedsel nodig. Gelukkig waren er betrouwbare buren op een boerderij, die zonder navraag te doen toch wel opvallende hoeveelheden melk gaven, die dagelijks afgehaald werden.
Door de bezetter werd in verband met de voedselschaarste een bonnensysteem ingevoerd. Aangezien deze niet aan de duizenden onderduikers verstrekt werden, moesten deze “verzorgd” worden. Door overvallen van knokploegen van de ondergrond• se werden uiterst riskante invallen gedaan op distributiekantoren en gemeentehuizen om deze bonnen te veroveren.

Nieuwsverspreiding

Op bevel van de bezetter moesten op een gegeven moment alle radio’s ingeleverd worden om te voorkomen, dat men naar de Engelse BBC zender “Radio Oranje” zou luisteren.
Vele radio’s werden niet ingeleverd en in schuilplaatsen bewaard, zodat men in het geheim kon luisteren om zodoende op de hoogte te blijven van de oorlogstoestand.
Om dit nieuws te verspreiden, ontstonden overal illegale krantjes. Vervaardigd op stencil verscheen in Castricum zo het blaadje “Strijd”.
De stencil- en de typemachine kregen bij Tante Sientje onderdak. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden was het op een gegeven moment te verwachten, dat een inval in haar huisje gedaan zou worden. De belastende apparatuur verdween in grote haast tussen de bessenbomen. De inval ging gelukkig niet door.

De “Strijd” moest natuurlijk ook rondgebracht worden, hetgeen uiterst omzichtig moest geschieden.
Ook hieraan verleende Tante Sientje haar medewerking door met een tas met krantjes ter kerke te gaan. Een oplettende toeschouwer zou geconstateerd kunnen hebben, dat zij met een andere tas de kerk na de mis verliet.

Het huisje aan de Kooiweg.
Het huisje aan de Kooiweg

Wat ongewoon vervoer

Vrij lange tijd was er een jong stel in haar huis ondergedoken, waarvan de vrouw in verwachting was. Voor de bevalling moest zij naar het ziekenhuis te Alkmaar. Om te voorkomen, dat de Duitsers achter haar ware identiteit zouden komen, werd zij als oud vrouwtje vermomd achterop de fiets naar Limmen gebracht. Zij werd hier langs de daar aanwezige wachtpost geloodst en verderop afgeleverd bij de dokter, die haar met zijn auto naar Alkmaar bracht.
Een enkele keer kwam het ook voor, dat een onderduiker binnen het dorp overgeplaatst moest worden. Een jong meisje werd dan gevraagd om als tijdelijke geliefde voor een voor haar wildvreemde man te fungeren om hem ongemerkt naar Sientjes huisje te brengen.

De laatste loodjes

Duizenden Castricummers werden in de loop der oorlogsjaren geëvacueerd, ook Tante Sientje kreeg het bevel om te verdwijnen en zij kwam in Limmen terecht.
Geleidelijk werd de toestand grimmiger. Vooral na 5 september 1944 “Dolle Dinsdag” leek de toestand nog onheilspellender te worden.
In het reeds vermelde dagboek uit de oorlogsjaren wordt deze episode in de geschiedenis van onze plaatselijke bevolking doorspekt met geruchten over het wereldgebeuren op vaak
beklemmende wijze beschreven.
Als represaille voor sabotagedaden op o.a. spoorlijnen, maar ook voor eenvoudige vergrijpen werden willekeurige Nederlanders gefusilleerd. Huizen werden in brand gestoken.
Op 9 oktober 1944 kregen na bomaanslagen op de rails 3 Castricumse gezinnen ‘s- middags 1 kwartier de tijd om hun huizen te verlaten, waarna de boel in vlammen opging.
Diezelfde dag ging om 5 uur in de vroege ochtend de boerderij van Groen in de Oosterbuurt in vlammen op.
De winter van 1944/45 staat bovendien bekend als de lange beruchte hongerwinter, waarbij vooral mensen in de grote Hollandse steden de hongerdood stierven.
Ook in Castricum vielen slachtoffers.
Op 5 mei kwam aan de oorlog officieel een einde, waarna ook spoedig de eerste Engelse voedselpakketten gedropt werden, om de uitgehongerde bevolking in het westen te redden.
Na de bevrijding werd de “ondergrondse” weer bovengrondse door de benoeming van een commissie van advies, bestaande uit de gebundelde illegaliteit voortgekomen heren H.J. van Nievelt, J.J. Rozing, C.J. van der Kaay, J.C. Blom en Tj. van Eik. Ondanks hun gevaarlijke werk hadden zij en vele anderen de oorlog overleefd.
Tante Sientje en allen, die aan het verzet hadden deelgenomen, vonden zichzelf geen helden: “We deden eenvoudig, wat gedaan moest worden”.
Ook Tante Sientje heeft de oorlogsjaren ruimschoots overleefd. Zij stierf op 85- jarige leeftijd op 18 februari 1974 in het bejaardenhuis De Cameren te Limmen.

F. Baars – mevr. E.A. Steeman – Borst.

Bron: 3e Jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum – 1980.

Wie was Guurtje (Stuifbergen)?

Guurtje Stuifbergen voor haar winkeltje, Dorpsstraat 93, ca. 1980.
Guurtje Stuifbergen voor haar winkeltje, Dorpsstraat 93, ca. 1980.

Vrijwel op de plek van het afgebroken woonhuis Dorpsstraat 93 (nu staat er slechts een schutting) toont de kadasterkaart uit 1822 reeds een pand met kadasternummer 4. Het was toen in het bezit van schilder en glazenmaker Wouter de Bie, die woonde aan de Dorpsstraat nr. 87. Hij gebruikte het pand als opslag. Degene, die dit pand liet bouwen, was de in 1842 geboren Klaas Stuifbergen, een barbier. Hij was de zoon van Jan Stuifbergen, eveneens een barbier, bij wie we even stilstaan, want hij kan als de stamvader worden gezien van verschillende generaties Stuifbergen, die in Castricum, onder meer in de Dorpsstraat, het vak van kapper hebben uitgeoefend. Deze Jan Stuifbergen, geboren in 1804, was een van de eersten die met een familietraditie brak door geen boer of schelpenvisser te worden, maar zich in de Oosterbuurt vestigde als wat toen ‘baardscheerder’ werd genoemd. Uit zijn huwelijk met Maartje Steeneveld werden drie zoons geboren, waarvan twee er voor kozen om later het beroep van hun vader voort te zetten: de reeds genoemde Klaas Stuifbergen en Jan Stuifbergen junior, die vanaf 1904 een kapperszaak exploiteerde in een klein pand gelegen aan de Dorpsstraat nabij de Schoolstraat. Zijn zoon Lambertus Stuifbergen, die later bekendheid kreeg als ‘Kleine Bertus’ vestigde zich met een kapperszaak in de Dorpsstraat tegenover de r.-k. kerk.

Klaas Stuifbergen met zijn echtgenote Guurtje Zonneveld.
Klaas Stuifbergen met zijn echtgenote Guurtje Zonneveld.

We keren terug naar Klaas Stuifbergen. Hij huwde met Guurtje Zonneveld en zijn gezin ging 13 kinderen tellen. Toen hij zich in 1892 met zijn kapperszaak aan de Dorpsstraat vestigde, was hij reeds 50 jaar. Daarvoor woonde hij aan de Breedeweg, waar hij ook als kapper werkzaam was, mogelijk als opvolger van zijn vader.
In 1907 verkocht Klaas, hij was inmiddels 65 jaar, de kapperszaak aan zijn 37-jarige zoon Bertus, die als kapper de zaak in de Dorpsstraat ging voortzetten. Deze Bertus Stuifbergen kreeg bekendheid als ‘Grote Bertus’, een bijnaam die kennelijk verwarring met zijn hiervoor genoemde neef ‘Kleine Bertus’ moest voorkomen.
Grote Bertus was een markant figuur en er zullen wellicht nog oudere Castricummers zijn die door hem zijn geknipt en geschoren. Naast kapper was hij ook afslager bij veilingen, wat hij had te danken aan zijn luide en sonore stem, die geen versterking nodig had. Als zodanig trad hij jarenlang op bij de verschillende groenteveilingen in ons dorp. Wie daar meer van wil weten, verwijzen we naar het bekende boek van Q. de Ruijter ‘Schippers van het Stet’, waarin een heel hoofdstuk is gewijd aan de Grote, maar ook aan de Kleine Bertus.
Grote Bertus Stuifbergen was in 1910 in Castricum getrouwd met Grietje Lute. Het echtpaar kreeg twee kinderen, waarvan er een zeer jong overleed. Tot het gezin behoorde ook een pleegzoon, de uit Hongarije afkomstige Lajos Horvat, die van zijn pleegvader het kappersvak leerde. Na het overlijden van Bertus in 1936 heeft deze Lajos Horvat de kapperszaak nog een aantal jaren voortgezet, tot hij in 1946 na zijn huwelijk met Cornelia Schram in de Burgemeester Mooijstraat een eigen kapsalon begon.

(Grote) Bertus Stuifbergen  en Grietje Lute omstreeks 1915 met dochtertje Guurtje voor hun kapperszaak in het inmiddels gesloopte pand Dorpsstraat 93.
(Grote) Bertus Stuifbergen en Grietje Lute omstreeks 1915 met dochtertje Guurtje voor hun kapperszaak in het inmiddels gesloopte pand Dorpsstraat 93.

Het was in die tijd gebruikelijk dat kappers er nog een soort winkeltje op nahielden waar zij onder andere rookwaren verkochten. Dit bood, na het verdwijnen van de kapsalon, aan de in 1913 geboren dochter Guurtje Stuifbergen een goede gelegenheid om met deze verkoop door te gaan en van de voormalige kapsalon een soort kruidenierswinkeltje te maken. Zij ging hierbij niet over een nacht ijs en slaagde in oktober 1947 in Den Haag voor de examens ‘Vakbekwaamheid tabaksdetaillist en Algemene Handel’. Haar moeder, de weduwe Grietje Stuifbergen-Lute, die na de dood van Bertus in het pand was blijven wonen, bleef nog lange tijd haar huisgenoot.
Nog in 1955 werden als woonachtig op het adres Dorpsstraat 93 genoemd de weduwe Stuifbergen-Lute en dochter Guurtje. Het winkeltje van Guurtje schijnt in die jaren goed te hebben gefloreerd, zeker dankzij de schooljeugd, want zij verkocht ook snoep.
Grietje Stuifbergen-Lute overleed in januari 1957, bijna tachtig jaar oud. Dochter Guurtje bleef nog tot op hoge leeftijd actief in haar winkeltje. Tot in 1990 – zij was toen 77 jaar – wordt zij in overzichten van Castricumse middenstanders vermeld als ‘sigarenhandel G.G. Stuifbergen.’

Guurtje Stuifbergen achter de toonbank van haar winkel.
Guurtje Stuifbergen achter de toonbank van haar winkel.

Zij overleed in december 1992 zonder nabestaanden en vermaakte haar bezittingen aan de r.-k. kerk in Castricum, want ze wilde niet dat haar bezittingen in handen zouden vallen van personen, die zij om een of andere reden niet mocht. Maar de kerk verkocht haar bezittingen, zodat deze via een omweg toch nog in handen kwamen van degenen aan wie zij ze oorspronkelijk niet had willen verkopen. Volgens sommige Castricummers, die van de gang van zaken op de hoogte zijn, werd er rond haar erfenis ‘een spelletje gespeeld’. Haar huisje werd na haar overlijden nog korte tijd bewoond, maar kwam daarna leeg te staan.

Sigaren- en sigarettenzaak van Guurtje Stuifbergen.
Sigaren- en sigarettenzaak van Guurtje Stuifbergen.

De laatste eigenaar, kaashandelaar Dijkman, bezat ook het naastgelegen pand. In 1997 meldde een plaatselijke krant de sloop van het oude pandje ‘in pakweg één dag’ en merkte daarbij nog op: “Omdat het niet meer voldeed aan de huidige normen heeft de twee huizen verderop wonende A.F. Dijkman de gemeente in september gevraagd medewerking te verlenen aan een bouwplan dat voorziet in vervangende nieuwbouw op het perceel Dorpsstraat 93. De ingediende bouwaanvraag voor een woning met berging past – ook in de ogen van de welstandscommissie – qua vormgeving goed in het straatbeeld en sluit aan bij de belendende percelen.”
Maar van deze nieuwbouw is tot dusver niets terechtgekomen.

Wim Hespe

Bron: 31e Jaarboek – Stichting Werkgroep Oud-Castricum – 2008

 

Wie was … Albert Asjes

Op 30 maart 1977 werd door de gemeenteraad van Castricum een historisch besluit genomen. Van de stichting Albert Asjesfonds werd in totaal 27.5 ha land gekocht, gelegen ten oosten van de wijken Molendijk en Noord-End, bestemd voor toekomstige uitbreiding van de gemeente. Tot deze aankoop behoorde ook de Albert’s Hoeve, gelegen aan de Molendijk nummer I (bij de Dorcamp) en de eendenkooi.

Albert Asjes + paard en wagen
Albert Asjes met paard en wagen

Albert Asjes, geboren op 17 mei 1864 en overleden op 16 oktober 1939, was de vroegere eigenaar van deze landerijen. Bij het testament, opgemaakt op 3 oktober 1939, bepaalde hij dat zijn gehele bezit zou worden ondergebracht in een op te richten stichting “Het Albert Asjesfonds”. Het hoofddoel van de stichting zou zijn de boerderij in stand te houden en de opbrengst van het bedrijf te besteden voor godsdienstige en liefdadige doeleinden. De kerkvoogdij van de Nederlandse Hervormde Gemeente zou het bestuur van de stichting moeten vormen.

De boerderij zou de naam “Albert’sHoeve” moeten blijven dragen en door een protestantse boer moeten worden bewoond. Ook de eendenkooi zou in stand moeten blijven en dienen als rustplaats voor vogels.

Krachtens de testamentaire beschikking kon de stichting de goederen niet verkopen.

Ingevolge een rechtelijke uitspraak werd de stichting in 1976 toch gemachtigd tot verkoop en liquidatie van de stichting.

Albert Asjes was de zoon van Arie Asjes (geboren I januari 1833) en Dieuwertje Bommezij, die eveneens de Albert’sHoeve bewoonden. Albert is nooit getrouwd geweest. Familieleden van hem herinneren zich dat Albert wel eens op het punt heeft gestaan om in het huwelijk te treden. Deze verbintenis kwam echter niet tot stand. Zowel de verloofde van Albert als hijzelf waren door vererving in het bezit gekomen van een boerderij en beiden weigerden deze te verlaten….. De grootvader van Albert Asjes heette ook Albert. Deze was geboren in 1793 te Heemskerk en hij was waarschijnlijk de stichter van de Albert’sHoeve. De vader van deze Albert was Evert Asjes, geboren in 1757 in Dalfsen in Overijssel.

Om nog eens wat meer te weten te komen over Albert Asjes spraken we met Gerrit Veldt (geboren 5 september 1908) en Jan Zomerdijk (geboren 2 mei 1905), die hem erg goed gekend hebben. Zij vertelden dat Asjes een soort herenboer was. Koeien heeft hij nooit gehad. Zijn land verhuurde hij grotendeels op zeer billijke condities. Asjes had alleen een paar mooie paarden, waarvoor hij wat hooi teelde.

Albert’s Hoeve, Tekening van Jan Reinders
Albert’s Hoeve, Tekening van Jan Reinders

Paarden waren zijn grootste liefhebberij. Zo af en toe bezocht hij concoursen o.a. in Hoofddorp. Jan Zomerdijk en Gerrit Veldt weten zich ook nog goed te herinneren dat Albert op zondagen zijn paard voor de tilbury spande en een ritje door de polder maakte.

Hij was een echte liefhebber van de natuur en tegelijk jager. Veel heeft hij niet geschoten, omdat het doden van een dier hem eigenlijk altijd aan het hart ging. In de omgeving van de boerderij werd nooit gejaagd en veel hazen en konijnen hebben daar dan ook een hoge leeftijd bereikt. In het begin van de dertiger jaren liet Asjes de eendenkooi aanleggen en verwierf hij het kooirecht. Uren observeerde hij de soms duizenden eenden vanuit zijn schuilplaats. De kooi is zelden of nooit in gebruik geweest voor het vangen van eenden.

Als een van de eersten in Castricum liet Albert elektrisch licht aanleggen en wel door Nelis Stolk, die samen met Piet van Duyn de radiodistributie in Castricum verzorgde.

Ook was hij een van de eerste autobezitters in Castricum. Jan Zomerdijk hoort hem nog “Ho” roepen toen hij zijn schuur binnenreed en de auto tot stilstand wilde brengen.

In de Albert’s Hoeve werd in vroeger jaren een zogenaamde zomerstal ingericht. Het aardewerk en porselein werd daar dan fraai uitgestald. Albert Asjes heeft deze en andere antiquiteiten aan de Nederlandse Hervormde Kerk nagelaten.

Op de begraafplaats bij de oude dorpskerk ligt Asjes overeenkomstig zijn laatste wil samen met zijn ouders begraven. Een imposante steen bedekt het graf.

De werkgroep heeft van de Nederlandse Hervormde Kerk onder andere een antiek kastje uit bezittingen van Albert Asjes in bruikleen ontvangen. Op dat kastje komt in houtsnijwerk een gedichtje voor. Een betere typering van de eenvoudige mens Albert Asjes dan hieruit spreekt, zal nauwelijks te geven zijn:

         Men ziet de vogels op de bomen

         de dieren grazen in de wey,

         de mens is vrolijk in zijn harte

         hij dankt zijn God en hij is blij

© N.A. Kaan – 2 Jaarboekje – Stichting Werkgroep Oud-Castricum – 1979